‘Nederland in Klare Lijn’ – Eric J. Colen

index

Vanmiddag vond ik tot mijn grote vreugde het kleurboek ‘Nederland in Klare Lijn’ van Eric J. Colen in mijn brievenbus. Al jaren wilde ik iets anders tekenen dan mensen en beestjes, maar landschappen, gebouwen en tafereeltjes ter land, ter zee of in de lucht kon ik niet op papier krijgen. Je moet even begrijpen hoe je moet denken, volgens mij, maar jeetje… als iedere poging die je doet tot frustratie leidt wordt je daar niet gelukkig van.

Een paar jaar gelden schreven de heren Kousbroek, van Amerongen en Hoogland een wedstrijd uit waarbij je naar hartenlust een aantal illustraties van Kousbroek mocht inkleuren. Dat deed ik, zette er in overleg de namen van Nanne en Annelies bij en riep vervolgens zo opzichtig mogelijk van het Facebook-dak dat de we boel zaten op te lichten. Ik moest immers aan mijn reputatie denken en door het leven gaan als leugenaar leek me niks. Niemand van ons won omdat we waren gediskwalificeerd, maar voor mij was destijds meteen duidelijk: Dit is iets waar ik wat mee kan: Kleurplaten gebruiken als basis voor het tekenen van andere dingen dan mensjes en beestjes.

Maar ja: Waar vindt je kleurplaten die ook echt de moeite waard zijn om te gebruiken. Velen waren gericht op kinderen, de kleurplaten voor volwassen hadden vooral het doel om mensen gedachteloos piepkleine Ieniemienie-vakjes in te laten kleuren. Ik kon er niets mee. Een maand geleden trok ik een kleurplaat van het stadhuis van Rotterdam uit mijn printer en daar bleek totaal niets van te kloppen. Want is voor mij namelijk een must: Dat het klopt. Ik moet het object op het internet kunnen opzoeken en bekijken wat de details zijn, wat de kleuren zijn, hoe diep, dik, ruw of glanzend iets is.

Ik was in maart, april, dan ook dol gelukkig toen ik op Twitter het bericht las dat Nederland in Klare Lijn in de maak was en binnenkort in alle winkels in Nederland te koop zou zijn. Door allerlei perikelen de vast ontstaan zijn door de coronaregels duurde het tot vandaag eer het boek in handen kreeg.

Ik ben dolgelukkig. Ik heb het boek volledig uit elkaar gesloopt en heb nu een stapel van bijna zeventig kleurplaten die werkelijk heel Nederland in klare lijn laten zien.
Omdat het er zo veel zijn was het moeilijk kiezen en ik vroeg René om uit de stapel één kleurplaat te kiezen, zodat ik meteen van de keuzestress af was: Hij koos voor de kleurplaat die ingekleurd te zien is op de voorkant van het boek.

Ik heb een lijst gemaakt van alle kleurplaten. Af en toe zal er een tekening af zijn (ja, ik kleur niks in. Ik scan een kleurplaat, druk hem in twee delen op twee A4-tjes af en trek hem vervolgens over op A3-tekenpapier. Het moet wel leuk blijven, het is hier geen kleuterschool). Hieronder staat de complete lijst. En jullie zullen me af en toe moeten helpen een nieuwe te kiezen.Want ik de héle rits afwerken!

afstreeplijst

Met vier oren kun je beter horen.

b085e0dec5df48889c1e40dc0001bec9Het is een beetje raar, als je man naar de hartspecialist moet en jij mag niet mee, want corona… De hartspecialist, zo vertelde René, is dat hysterische gedoe meer dan zat, maar die kan er verder ook niks aan doen.

Daar zit je dan, achter je pc, je af te vragen wat die cardioloog allemaal voor informatie uit de onlangs gemaakte hart-echo van jouw vent heeft weten te destilleren. Ik probeer het gevoel te onderdrukken dat ik krijg als ik er aan denk dat René een boodschap zou kunnen krijgen die je als arts liever niet aan je patiënt verteld. En dat hij daarna in zijn eentje de spreekkamer verlaat, overladen door de emoties van de heftigheid van het bericht.

Ik heb het meegemaakt toen we op de EHBO de uitslagen van het bloedonderzoek kregen en hoorden dat René een hartinfarct had. Daar sta je dan, naast je man die nooit huilt en op wiens gezicht heel voorzichtig een traan in de richting van een ooghoek beweegt. Dat de EHBO-arts er meteen achteraan zei dat hij het wel zou overleven drong tot ons beiden niet door. Maar ik dank god of wie dan ook op mijn blote knieën dat we destijds samen waren.

Weken later maakte een verpleger op de hartbewaking een onvergeeflijke fout. Opgewekt liep ik op hem toe en ging voor de balie staan. “Hoe gaat het vandaag met Meneer Straatman?” was mijn vaste vraag in die tijd. René die aan allerlei monitoren hing zei altijd dat het prima ging, dus die nam ik met een korrel zout. Ik wilde het horen van mensen die er verstand van hadden, niet van iemand die zoveel van mij houdt dat hij mij alle verdriet van de wereld wil besparen. Geschrokken keek de verpleegkundige mij aan. “O… hebben ze u niet gebeld?” zei hij toen hij me aankeek. “Meneer Straatman is er niet meer…”

Ik kreeg ter plekke het gevoel alsof ik zeven verdiepingen naar beneden viel. Dat is letterlijk wat je voelt als je zo’n bericht krijgt: De grond zakt weg onder je voeten, je hebt het idee dat de vaste grond die je onder altijd onder je voeten had plotseling gewoon niet meer bestaat en ook niet meer zal terugkomen. En je wilt het liefst zelf dood, niet meer verder, want na dit kan het nooit meer goed komen.

Het kwam gelukkig goed, het bleek een misverstand. Een pijnlijke misverstand, dat wel, maar gelukkig een misverstand. René leefde nog en had een uur daarvoor nog volop praatjes gehad. Hij was alleen van de hartbewaking overgeplaatst daar een ‘gewone’ hartafdeling, omdat het beter met hem ging.

De opluchting was even groot als de schok, maar van de schok heb ik meer last gehad dan van de opluchting. Ik maakte  René ’s nachts regelmatig wakker omdat ik dacht dat hij niet meer ademde en dat heeft zeker twee jaar geduurd. En volgens René doe ik het nu, jaren later, af en toe nóg. De schok is in mijn systeem gaan zitten.

Nu is er dan corona en nu mag niemand met je mee als je naar je specialist gaat voor een uitslag. Als je doodgaat, of als je een lange, pijnlijke toekomst tegemoet zal gaan dan ben je alleen met je specialist. Iemand die er voor heeft geleerd, maar nooit zal weten hoe het voelt om zo’n bericht te krijgen tot het hem of haar zelf overkomt. En dan moet je naar huis. Naar degenen waar je van houdt. Waar jij moet vertellen dat je dood gaat, of ziek bent, of gehandicapt zult raken.

Ik vraag me af of Rutte en de Jonge met hun Jaap dit wel beseffen. Hoe onmenselijk hun ideeën eigenlijk zijn en hoeveel mensen daar inmiddels al voor altijd door zijn beschadigd. Een paar minuten geleden belde René, alles is goed.  Het soort goed zoals een specialist dat ervaart, maar het klinkt in elk geval goed. Ik ben er blij mee, maar ik moet toch aan al die mensen denken die elkaar niet hebben mogen steunen terwijl dat wél nodig was. Ik denk dat ik vanavond en nog wat avonden wakker zal liggen en me afvraag:

Jaap, Hugo en Mark, zouden die ook wakker zijn?

Kibbeling in Coronatijd

“Ik ga kibbeling halen”, zeg ik tegen René, terwijl ik mijn jas aan sta te trekken. Ik zie René instemmend knikken, maar ik geloof niet dat hij echt luisterde naar wat ik zei.

Onderweg naar het winkelcentrum zet ik mijn plannen nog even allemaal op een rijtje: Het gemakkelijkst is om 20 euro te pinnen, daarvan moet ik 6,50 apart houden voor de glazenwasser en bij de visboer zal ik acht en halve euro kwijt zijn. Daar kan ik niet pinnen en dus niet wisselen. Wat ik aan kleingeld over heb geef ik altijd aan René. Ik heb al jaren geen cash geld omdat ik altijd pin en deze manier van handelen bevalt me uitstekend.

Het is lekker weer en ik wandel tevreden naar de pinautomaat.
Daar aangekomen staar ik verward naar het zwarte scherm. Ik til mijn bril omhoog, in de veronderstelling dat ik mijn zonnebril op heb: Er veranderd niets. Ik had mijn zonnebril niet op, het beeld was gewoon zwart. Akelig zwart. Ik kan niet pinnen. Het ding is uitgeschakeld.
“Pfff…! Heb ik dat? Even nadenken…. naar de Albert Heijn dan maar. Daar staat ook een pinautomaat.”

Aangekomen bij de Albert Heijn zie ik dat er een rij mensen staat te wachten tot hen een gedesinfecteerde winkelwagen wordt toegewezen. De rij mensen, die middels zwart met geel gestreepte tape op de vloer onderling precies honderdvijftig centimeter van elkaar gescheiden zijn, reikt tot ver voorbij het damesmodewinkeltje en ik rol met mijn ogen. Hier heb ik helemaal geen zin. Ik loop langs de andere zijde van de rode met wit gestreepte tape dat langs de rij gespannen is de wachtende mensen voorbij in de richting van een meisje dat de karretjes met een desinfecterend middeltje in een spuitfles staat te besproeien. “Kan ik hier pinnen?” vraag ik. “Hij doet het niet,” zegt het meisje, zichtbaar geërgerd omdat ze die vraag vandaag waarschijnlijk al zo’n dertig keer heeft gehoord.

Ik loop terug in de richting waar ik vandaan kwam en prijs mezelf gelukkig dat ik niet met de fiets ben. Dit is ook geen feest, maar zo’n fiets zou in deze situatie heel vervelend zijn. Nu hoefde ik dat ding niet steeds te verplaatsen en in elk geval niet naar sleuteltjes te zoeken, de ketting niet los te maken en van dat soort dingen meer. Terwijl ik de rij wachtenden wederom voorbij loop denk ik na: Ik moet geld hebben. Iets kopen, twintig euro extra pinnen en dan weer zien dat ik die 20 euro op de ene of andere manier ‘klein’ maak. Voor de glazenwasser zes euro vijftig, voor de visboer is een tientje ook goed. Wat is het slimst? Naar het Kruidvat dan maar.

Voor alle zekerheid vraag ik bij het Kruidvat aan de winkeljuffrouw die de mandjes van vertrekkende klanten desinfecteert of ik extra kan pinnen. “Deze mevrouw wil weten of ze extra kan pinnen,” gilt de winkeljuf van de mandjes naar een winkeljuf achter een kassa terwijl ze met haar spuitfles naar mij wijst. “Ja dat kan,” zegt de kassajuffrouw tegen de mandjesjuf.
“Ja, u kunt extra pinnen, geen probleem,” zegt het mandjesmens, alsof ik dat niet al begrepen zou hebben. “ Neemt u wel een mandje mee?”

Ik loop met mijn mandje door de winkel en ik heb eigenlijk niks nodig. Dat is heel vervelend, want met zo’n mandje in je hand door een winkel lopen waar je niks te zoeken hebt voelt ontzettend zinloos. “O ja!” denk ik, bijna blij dat ik toch nog iets nuttigs kan doen in dat Kruidvat: “Die paaseitjes die gisteren in dat rek voor de kassa lagen…!”

Terwijl ik vanaf half januari halsreikend heb uitgekeken naar het moment dat er nergens, maar dan ook nergens in het hele winkelcentrum ook maar één paasei te vinden zou zijn omdat ik niet van die dingen kan afblijven voelde het idee dat ik nu paaseitjes kon kopen als het mooiste wat me ooit kon overkomen. Enthousiast begon ik me richting de kassa te begeven, want daar had ik, ruim een week na Pasen, nog een paar zakken van 1000 gram gezien. Vlak voor het pad met de honderdduizend verschillende soorten bodylotion gris ik nog een fles bodylotion mee, want ik was er nu toch. Een pad verderop wil ik aansluiten bij de rij voor de kassa, maar dat gaat niet: De rij slingert zich middels dezelfde tape als bij de AH de winkel door, tot ergens helemaal achterin. Geduldig schuifel ik mee met de rest van klanten en bekijk ondertussen de inhoud van de rekken. “Jeetje mina zeg” denk ik. “Wat hebben we eigenlijk een hoop zóói om ons heen…”

De paaseitjes blijken – god zij geprezen – inmiddels echt te zijn uitverkocht en voor de vorm gooi ik één van de laatste chocolade-paashaasjes in mijn mandje. Het heeft even geduurd, maar uiteindelijk ben ik dan toch bij de kassa terecht gekomen.

“Dat is dan 2,98, alstublieft”.
Ik pak mijn pinpas en zeg: “ik wil graag twintig euro extra pinnen”.
“Dat kan niet,” antwoord de meneer achter de kassa.
“Ik heb het net gevraagd en mij werd verteld dat het kon.”
“Het kan ook. Maar nu niet. Wij mogen geen papiergeld gebruiken”.
“O, oke…”

Tja, wat moet je dan? Je gaat niet moeilijk doen in coronatijd, vind ik. Het is een rottijd voor iedereen, dus hou je je mond, rekent af, bedankt voor de bon – waarvan je weet dat je die onderweg verfrommelt en in de prullenbak gooit – en zegt netjes gedag. Aan zeikerds hebben we nu niks. Buiten het filiaal van het Kruidvat kijk ik om me heen. Wat nu? ik wil geld. Ik heb het nodig, want de glazenwasser moet betaald en ik wil naar de visboer. Rechts van mij is de Hoogvliet, daar kan ik wat dingetjes kopen om de boel te wisselen. Links zijn allerlei winkels waar ik niets te zoeken heb.

“O! de Wibra!” denk ik verheugd.”Ik haal gewoon een paar sokken”.

Voordat ik de Wibra binnenloop vraag ik aan het meisje achter de kassa:“Kan ik hier extra pinnen?”
Dat kan, of ik wel even een mandje mee wil nemen. Ik heb sneakersokken nodig, dus ik koop een paar en doe bij het afrekenen nogmaals de mededeling dat ik 20 euro extra wil pinnen. Het meisje verricht haar handelingen en geeft me na het pinnen de bon. “Ik krijg nog 20 euro van je”.
Verschrikt kijkt ze me aan. O, helemaal vergeten. Ze liet me de bon zien, ze was vergeten het aan te slaan. “Maakt niet uit, ik haal gewoon nog 3 paar sokken. Dat kan nooit kwaad.”

Ik sta weer in de rij, voor mij staat iemand die ik ken van de sportschool. We blijken allebei nog steeds actief bezig, complimenteren elkaar ermee en als ze heeft afgerekend roepen we elkaar toe dat we hopen de ander snel weer terug te zien in de sportschool. Ik sta weer voor het meisje bij de kassa, die zich uitput in verontschuldigingen en hemel zij dank is het nu gelukt: Ik heb 20 euro.
Nu ik wil de 6,50 veiligstellen. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik bij thuiskomst maar 3,25 in mijn portemonnee heb omdat ik niet heb staan opletten, dus ik wil gewoon die zes euro en vijftig cent in het ritsvakje in mijn portemonnee stoppen. Zodat k die niet kan verwarren met iets anders.

Ik ga naar de Hoogvliet, waar ik wederom een frisgepoetste winkelwagen in ontvangst neem omdat ik anders niet naar binnen mag en besluit dat het een mooie dag is voor nicecream. Ik koop wat diepvriesfruit en slagroom en eindelijk is het dan gelukt: In mijn portemonnee heb ik een briefje van vijf, een euromunt en een muntje van vijftig cent. En tien euro voor het meisje van de vis. Ik leun op mijn gemak op mijn karretje en ik prop het geld voor de glazenwasser in vakje van mijn keuze en trek de rits zorgvuldig dicht. Bij het verlaten van de winkel geef ik goedgemutst mijn karretje aan een jongen met een doek en een spuitfles en wens hem een fijne avond.

Ik kan wel juichen. Het heeft even geduurd en het was niet gemakkelijk, maar het is allemaal gelukt! Wat een gedoe…! Het was vóór corona allemaal een stuk gemakkelijker, maar goed, ik heb mijn doel bereikt en ik kan bijna naar huis.Goed geluimd stap ik het winkelcentrum uit, richting de mobiele viskar.

Die is dicht.

kibbeling

Dwarsdenker des Vaderlands

85154243_3050493201635746_3218427176252604416_o

In mijn hoedanigheid van eenvoudige lezeres heb ik de afgelopen jaren met open mond via de media het gekrakeel in schrijvers- en uitgeversland zitten bekijken. De één verwijt de lezer racisme omdat ‘zwarte’ schrijvers minder vaak worden gelezen, terwijl één van die ‘zwarte’ schrijvers het boek dat de ‘witte’ medemens moest bewegen  tot het lezen van  boeken van ‘schrijvers van kleur’ tot de grond toe  fileerde,  omdat het boek een armzalig hoopje slecht geschreven slachtofferpropaganda bleek te zijn. Ondertussen brak elders de hel uit omdat twee heren waren uitgekozen om hun kunstjes te vertonen aan de hand van het thema ‘De moeder, de vrouw’, wat resulteerde in een hysterische handtekeningenactie van het schrijvers- en uitgeversvolk, omdat ook vrouwen over moeders en vrouwen kunnen schrijven en deze groep en hun Helper Mannies (die anders altijd worden afgemaakt vanwege mansplayning) zowat uit elkaar spatten van woede. Inmiddels is de jaarlijkse boekenweek van start gegaan met het jaarlijkse boekenbal  en op de social media wordt het evenement afgekamd vanwege het feit dat men beledigd is omdat hij of zij niet of juist wel is uitgenodigd,of zij er niets mee te maken wil hebben of juist wel  en iedereen van iedereen wel van iemand vindt dat hij of zij geen echte, geen goede of een foute schrijver is. Zoals ik al zei: Ik ben maar een eenvoudige lezeres en ik ben blij toe, want wat een zooitje onzalige zeikbakken zijn die schrijvers, uitgevers en recensenten zeg…

 

Gelukkig heb ik al een boek en heb ik ook  al een volgende op het oog voor als die uit is. De laatstgenoemde is het boek van een Belgische mevrouw  (Cindy Hoetner) en welke ik nu aan het lezen ben is  een soort eenakter voor twee personen, namelijk ‘Dwarsdenker des Vaderlands’ van Arthur van Amerongen.

Verrassend aan dit boek is dat het er feitelijk twee zijn die dwars op elkaar liggen en dat het geschreven is door twee dwars op elkaar staande persoonlijkheden, namelijk Arthur van Amerongen zelf en zijn pseudoniem G.H.B. Hiltermann. Ondanks dat beiden zeer reislustig van aard zijn en in columns opschrijven wat zij zoal beleven, verschillen deze twee zielen evenveel van elkaar als een appel en een aardbei.

Ofschoon Arthur van Amerongen zijn uiterste best doet om de ganse mensheid ervan te overtuigen dat hij eigenlijk een heel saai en heel gewoon leven leidt in die door 3000 zonuren per jaar geteisterde Algarve van hem,  heeft hij nog steeds de naam  een notoire drugsgerelateerde zuipschuit te zijn, die  niets anders doet dan snuiven, feesten, drinken  en onwaarheden schrijven over groepen die het slachtoffer zijn van van alles en nog wat. Dit is dan wel weer vooral de mening van mensen als Chris Klomp,  die maar niet van het idee af te brengen zijn  dat alleen iemand zoals  bijvoorbeeld Chris Klomp de absolute waarheid en kent, maar dat terzijde.

Want het is ook niet helemáál de schuld van mensen die niet tussen de regels door kunnen lezen dat men denkt dat van Amerongen zo’n  schandelijk leven leidt. Dhr. van Amerongen schept er zelf een groot genoegen in om rebels en dwars te doen en vrolijk de vooroordelen over zijn persoon in stand te houden en waar mogelijk nog eens lekker op te blazen. In het Dwarsdenkers-deel van het boek – dat bestaat uit een selectie van columns van van Amerongen die gepubliceerd zijn in de Volkskrant – zijn drank, drugs en rock ’n roll  zaken die veelvuldig voorkomen. Maar ook worden mensen op hun nummer gezet als ze dat verdienen en belachelijke dingen die zich in Nederland voordoen worden zorgvuldig tot moes getikt. Daar maak je natuurlijk geen vrienden mee, behalve dan bij mensen die er de humor van kunnen inzien. Want die kunnen van Amerongen wel opvreten.

Evengoed  bevat dit gedeelte  van het boek ook columns die laten zien dat er  in het leven van deze rebelse dwarsdenker ook liefde en verdriet bestaat, iets wat sommigen zich gek genoeg niet kunnen voorstellen en wat dan ook soms tot heel kinderachtige reacties leidt. Maar wat dat betreft is van Amerongen net een otter.  Hij dobbert rustig voort en laat alles van zijn vochtwerende vacht afglijden.

Als je het boek op zijn kop houdt en omdraait vind je op de voorplaat de beeltenis van G. H.B. Hiltermann, het keurige  pseudoniem-van-stand van Arthur van Amerongen, die iedere maand de toestand van de wereld voor de lezer in HP de Tijd overzichtelijk en begrijpelijk maakt. (Tip: Gebruik twee boekenleggers in plaats van één en leg die overdwars in het boek anders valt een van de twee er tijdens het lezen uit). Voor mensen voor wie dit boek de eerste kennismaking met G.H.B. Hiltermann vormt en die zich afvragen wie die G.H.B. eigenlijk is: In  het eerste hoofdstuk lees je precies waaruit G.H.B Hiltermann is geboren en wat voor karakter hij heeft.  In mijn optiek is het een rijke, arrogante, op sommige punten wat naïeve goedzak, die zijn stukjes iedere maand in een ander land en een ander belachelijk duur hotel schrijft en die een soort moeder/zoon verhouding heeft met zijn bejaarde huishoudster Agaath.  In tegenstelling tot Arthur van Amerongen is Hiltermann een gelegenheidsdrinker die bij bovenmatig veel gelegenheden heeft waarbij gedronken dient te worden, maar die daar niet ’s morgens om tien uur mee begint omdat hij niet in een armetierig Portugees vissersdorp woont waar het traditie is om al  om tien uur ’s morgens de hair of the dog van de volgende dag uit te lokken. Drugs zijn aan hem niet besteed. Al hoewel… sigaren bevatten nicotine en dat is ook een drug. Maar snuiven en slikken doet hij in elk geval niet, dacht ik. Maar misschien heb ik daar wel overheen gelezen.

G.H.B. Hiltermann, daar moet je even aan wennen als je aan de soepele schrijfstijl gewend bent die Arthur van Amerongen in zijn cursiefjes voor de Volkskrant bezigt. Hiltermann is een man van het oude geld en hij schrijft de dingen dan ook als zodanig op.  G.H.B. Hiltermann heeft de eigenschap om de beestjes zo kakkerig mogelijk  bij de naam te noemen, wat een heerlijke combinatie van dure woorden en humor tot gevolg heeft.

Als ik G.H.B. Hiltermann lees stel ik me daar een type voor als De Eerbiedwaardige Teddy Meldrum, gespeeld door Michael Knowless in Did you rang m’lord. Dit vooral omdat ik Jerôme Heldring, Jacques Gans, en Henri Knap niet voor me kan halen en  ik mij Willem Oltmans alleen maar kan herinneren als een boze meneer met wit haar, die ik weleens op tv zag  terwijl ik met natte haren en in pyjama op de bank zat te duimen. Ik ben, als gewone eenvoudige lezeres, enorm van G.H.B. Hiltermann gaan houden. Heerlijk boek!

 

Zaaddonors

Op mijn zeventiende woonde ik in een gezinsvervangend tehuis op de grens van Rotterdam en Schiedam . Onze groep bestond uit zes meiden tussen de vijftien en negentien jaar en op een dag kwam Cecilia bij ons wonen. Cecilia was een Kaapverdiaanse van 15 en we konden het meteen goed met elkaar vinden. Ondanks dat ze nog niet lang in Nederland woonde kon ze niet altijd goed uitleggen wat ze wilde of wat ze bedoelde, maar ze kwam een heel eind: ‘Ik heb pijn in die koet,” zei ze op een dag. Weken lang gonsde het door het huis: Alle zes de meiden hadden te pas en te onpas pijn in die koet, tot de leiding ons smeekte om alsjeblieft op te houden met die vreselijke onzin…

Nu zag ik gisteren bij TV Rijnmond (0f hoe heet dat) een clipje van Open Rotterdam voorbij komen over de Kaapverdiaanse gemeenschap aldaar en ik moest meteen aan Cecilia denken, met haar koet. Ik schreef het ergens op maar vergat het te googelen, tot ik vanmorgen las dat 1 op de 6 kinderen opgroeit in een eenoudergezin en dat de grootste groepen eenoudergezinnen zich onder andere in Rotterdam bevinden. En ik moest er meteen weer aan denken: Aan Cecilia, die pijn in haar koet had en die me een paar weken later vroeg of ik een broer had.

Ja, ik heb een broer, vertelde ik. Nou ja, een broer, een broertje. Die was vijftien, maar al wel heel láng. Dat beviel Cecilia wel. Wat voor kleur ogen hij had, wilde ze weten. En wat voor kleur haar. Ik vertelde dat mijn enorme lange broertje blond was en blauwe ogen had, dezelfde kleur als de mijne.

Cecilia was helemaal verrukt. Of ik mijn broer wilde vragen of hij met haar naar bed wilde,want ze wenste een halfbloedje. Ik geloof dat ik nog nooit zo gelachen heb, maar ze meende het ook nog. “Nou, dat denk ik niet hoor Ceciel…”
“O, waarom niet?”
“Dat doen we hier in Nederland niet”.

Toen maakte ik dus kennis met de Rotterdams-Kaapverdiaanse moederschapscultuur: Mannen zijn zaaddonoren. Ze hebben binnen de gemeenschap maar één doel en dat is vrouwen zwanger maken en daarna worden ze geacht zich niet (met de nadruk op NIET) met de moeder of het kind te bemoeien. Ik ging wel eens mee met Cecilia naar vriendinnen die in Rotterdam West een eigen huisje-boompje-babietje hadden en op hun 19e al drie koters onderhielden. “Kinderen hebben geen vaders nodig. Die zijn alleen maar onbetrouwbaar, die gaan allemaal vreemd. Als ik een kind wil ga ik met een man naar bed en daarna kan hij gaan”.

Ik heb er maar geen woorden aan vuil gemaakt dat ik het best logisch vond dat mannen vreemdgaan als iedere vrouw die een kind wil hen hun bed in trekt, want het was volkomen duidelijk: Dit was geen mening die die vrouwen over mannen hadden. Dit was gewoon hoe hun wereld in elkaar stak. De mannen konden doen en laten wat ze wilden, maar ze hadden ook echt geen bal te vertellen.

Ik heb nog nooit – ook daarna niet – zulke standvastige vrouwen gezien en ook nog nooit zulke onafhankelijke vrouwen: Ze vormden samen een hechte kliek, die heel goed georganiseerd was: Als één van de vrouwen aan het werk was gingen de kinderen naar een van de andere vrouwen. Ze hadden ook allemaal werk: Ze waren van niemand afhankelijk.

Op een dag vroeg Cecilia of ik met haar mee wilde gaan naar de huisarts bij ons aan de overkant, want ze was al een hele tijd misselijk. Ze bleek zwanger, maar niet van mijn lange kleine broertje. Dat wist ik omdat ik in een lollige bui toch aan mijn broertje had gevraagd of hij er iets voor voelde om een kindje te maken. Zijn blik was onvergetelijk en zijn woorden ook: “Ben je gek of zo?!”

“hij wil niet”, zei ik grinnikend tegen Cecilia, die dat heel erg jammer vond. Andere blonde kerels met blauwe ogen wilden ook al niet, dus op een dag had ze toch maar genoegen genomen met een Kaapverdiaan.

Ze was destijds zestien toen haar dochter werd geboren. Ze noemde haar Sandra, want ze vond dat zo’n mooie naam. Ik weet niet hoe het met haar veder is gegaan, we verloren elkaar uit het oog nadat zij vanwege haar zwangerschap op zichzelf moest gaan wonen en ik kort daarna naar Capelle aan den IJssel verhuisde. Maar dat Rotterdam een heel groot aantal eenoudergezinnen heeft vind ik dus geen verrassing. Binnenkort moet ik toch eens naar de reportage van Open Rotterdam kijken. Wie weet zie ik haar daar. Of Sandra. Of allebei. Zou leuk zijn.

1378077_662152650469825_1730697921_n

Costa del Coke – Ivo Teulings en Arthur van Amerongen

Ik ben het boek Costa del Coke aan het lezen en ik vind daar wat van.  En als u het niet erg vindt wil ik dat graag met u delen. Niet per se omdat iemand in mijn Facebook-vriendenlijst gisteravond  een rode stip achter haar naam kreeg omdat ze Rob Muntz minachtend ‘iemand van de doorgesnoven AvA-clan’ noemde om geen enkele andere reden dan het feit dat hij bevriend is met Arthur van Amerongen, maar het hielp wel mee.

Ik kom uit een familie van mensen die gevoelig zijn voor verslaving en nadat mijn oom dronken in een sloot belandde en verdronk besloot ik dat ik nooit verslaafd wilde raken aan wat dan ook. Als ik van iets ook maar een heel klein beetje het gevoel had dat ik er een kick van kreeg wilde ik er nooit meer wat mee te maken hebben. Dat lukte niet helemaal, maar de schade bleef beperkt tot een nicotineverslaving en een hardnekkige verslaving aan cafeïne: Van die huis-tuin-en-keukenverslavingen waar je nauwelijks last van hebt en alleen maar tot hevige hoofdpijn of wat rillingen leidt als je er mee stopt. Evengoed heb ik wel op een ander manier ervaring met verslaving, namelijk in de rol van partner. Ik woonde veertien jaar samen met een man die hyperactief was -ADHD, zei de psychiater later, maar dat stempel kreeg in die tijd zo’n beetje iedereen – en die bovendien verslaafd was aan alcohol, speed, XTC en hasj.

Op het moment dat bekend werd dat ‘Costa del Coke’ er zou komen was ik direct geïnteresseerd. Niet alleen omdat Arthur van Amerongen mijn favoriete schrijver is, maar ook vanwege het onderwerp. Ik vraag me daar al heel lang dingen over af: Wat gaat er door gebruikers heen? Dat had ik nooit kunnen ontdekken, al zat ik er al die jaren met mijn neus bovenop. Waarom is de één een recreatieve gebruiker en de ander een regelrechte junk? Hangt dat af van wat iemand gebruikt, of is het maar net de vraag of je de genetische aanleg hebt om verslaafd te raken? En wat moet je in deze tijd eigenlijk denken van die open grenzen, van al die kapsalons en belwinkels die overal opduiken? Hoe zinvol is het om te roepen ‘als je een pilletje neemt ben je onderdeel van het probleem’? Ik hoopte eigenlijk dat ik op dit soort vragen een antwoord zou vinden.

Ik had geen flauw idee wat ik me van Costa del Coke moest voorstellen en of ik het boek de moeite waard zou vinden was ook helemaal niet zeker. Ik had Ivo Teulings’  Monta Negro gelezen (in Costa del Coke kort omschreven als zijnde ‘geflopt’, wat jammer is want Teulings heeft een leuke schrijfstijl en aan humor ontbreekt het hem ook niet) en ik had daarin al ontdekt dat we hier te maken hadden met een man met een goed verhaal en behoorlijk wat kennis met betrekking tot drugssmokkel. Van Amerongen wordt door veel mensen weggezet als een doorgesnoven junk die drugsgebruik verheerlijkt. Daar maakt hij gretig gebruik van, want tegen dingen aan schoppen verkoopt…

Wat ging dit alles opleveren?  Wat was eigenlijk het doel van het boek? Moest het vooral leuk worden? Of juist vooral informatief? En als het laatste het geval zou zijn, zou dat niet heel erg vervelend worden? Zou het boek meer in de stijl van Teulings- of meer in de stijl van van Amerongen geschreven zijn? En zou ik na het lezen van dit boek een gefundeerd antwoord kunnen bedenken op vragen als ‘ vindt u dat drugs wel of niet gelegaliseerd  moeten worden?’

Nu ik halverwege ben kan ik uit de grond van mijn hart zeggen dat iedereen die zich een gefundeerde mening wil vormen over de strijd tegen de drugsmaffia – in ons land en daarbuiten – Costa del Coke eens moet lezen. Voor mensen in de Biblebelt is het even doorbijten, het is geen streekroman en er staan wel wat dingetjes in waar je dan moeite mee zou kunnen hebben. Maar laten we eerlijk zijn: Een boek over drugshandel dat rekening houdt met de tere ziel van de lezer kan nooit een goed boek zijn.

Van Amerongen speelt in het boek de rol van de junk die bakken geld uitgeeft aan allerhande geestverruimende middelen die hij overal en nergens van alles en iedereen lijkt te kunnen kopen en maakt er een sport van om zo grof mogelijk uit de hoek te komen. Maar het zou zonde zijn als je het daarom niet zou lezen, zeker als je bedenkt dat van de gevorderde drugsverslaafde de normen en waarden mettertijd veranderden en dit dus ongeveer de manier is zoals een verslaafde denkt.

Naar mijn smaak is het een boek dat heel duidelijk laat zien hoe ontzettend goed de drugssmokkel georganiseerd is en hoeveel overeenkomsten die vertoont met het pasjessysteem van de AH of met de manier waarop de Staatsloterij haar klanten aan zich bindt, zonder dat je tot vermoeienis toe doorgezaagd wordt over cijfers en feiten. Terwijl je zit te lezen begrijp je stukje bij beetje hoe ingenieus drugshandel eigenlijk in elkaar steekt en hoeveel mensen er belang bij hebben dat het blijft bestaan. Maar niet alleen dat, je krijgt een hele klein beetje een idee van hoe het voelt om Cold Turky op zoek te zijn naar verlichting van de afkickverschijnselen, doordat je al lezend bijvoorbeeld wordt meegenomen tijdens een uitstapje met de verslaafde Trini.  Dat betekent niet dat je Trini daardoor zielig gaat vinden, maar wel dat je begrijpt waarom en hoe drugsbazen hun dealertjes verslaafd houden en wat mensen ervoor over hebben om weer even een roes te voelen.  Allerlei mensen en groepen die op wat voor manier dan ook betrokken zijn bij de handel in drugs of de bestrijding daarvan komen in het boek aan bod. En dat is denk ik wat mij aantrekt in ‘Costa del Coke’: Het is prettig leesbaar, maar vooral ook compléét.

Rest er nog één vraag: ‘Verheerlijkt Costa del Coke’ het gebruik van drugs? Dat is een bezwaar dat ik als van Amerongen-fan verwacht tegen te zullen komen op de social media.

Nee, dat denk ik niet. Ik denk dat de rol van van Amerongen, die van losbollige junk die niets liever doet dan praten, eten, snuiven en roken, het drugsgebruik niet aantrekkelijker maakt dan het is. Ik denk juist dat het nodig is om te laten zien wat voor ‘soort mens’ een gebruiker eigenlijk is,  hoe zijn of haar gedachtegang in elkaar steekt en dat het daarom een belangrijk onderdeel is in het geheel. Want volgens mij kun je pas begrijpen hoe de wereld achter de drugshandel werkt als je ophoudt de gebruiker te veroordelen en weg te zetten als minderwaardige schepsels. Of als een slachtoffer. Ze hebben wel een probleem, maar in hoeverre dat probleem opgelost moet worden en hoe dat het beste kan is niet aan jou. Wie dit boek heeft gelezen en van Amerongen daarna als een ‘doorgesnoven gek’ betiteld heeft het denk ik niet goed begrepen. Juist door zijn ervaring in die wereld heb je een beter beeld van hoe het werkt, omdat dat het er een wezenlijk onderdeel van is.

Kortom: ik denk dat het heel waardevol is boek kan zijn voor iedereen die wil kunnen meepraten over druggerelateerde onderwerpen.

Waarvan akte!Naamloos

 

Mount Rukmore

Op een mooie dag besloot Frans Timmermans dat er in Limburg een groot monument moest worden opgericht ter ere van niemand minder dan hemzelf.

Een groots leider als hij,  die zoveel betekende voor Nederland en de EU,  die zelfs binnenkort verkozen ging worden tot de eerste feministische mannelijke EU-voorzitter, die bovendien vloeiend 9 talen sprak, zo’n leider had een monument nodig om vereerd te kunnen. Het Europese Volk verdiende het om hem op elk gewenst moment te kunnen aanbidden, ook als hij elders drukdoende was zijn verzameling eco-footprints, prijzen en oorkondes uit te breiden. Dat monument wilde hij uiteraard niet in zijn achtertuin want dat gaf naar zijn smaak veel te veel drukte. Nee, het Zijne Excellentie Frans Timmermans Monument moest worden gerealiseerd in het Nederlandse Limburg, dat naar zijn idee ver genoeg van zijn Brusselse villa af lag om het te kunnen negeren.

Na een korte ronde op goudengids.nl vond Timmermans een zeer aan drank en drugs gehechte beeldend kunstenaar, die hevig in geldnood verkeerde en daardoor blij was met om het even welke opdrachtgever.   Zolang het maar geld in het laatje bracht kon het de man niet schelen of iemand een blaaskaak of een halvezool was, of zelfs beide.  Hij was niet zo zakelijk uitgevallen, maar hij wist wel dat als hij zijn verslavingen in stand wilde houden hij niet te kieskeurig moest zijn. “Uitstekend, kunstenaar!” riep Timmermans door de telefoon. “Ik kom u morgenochtend om acht uur mijn EU-dienstauto met chauffeur ophalen!”

De volgende morgen stond Timmermans met zijn dienstauto voor dag en dauw bij de kunstenaarswoning voor de deur. De kunstenaar was met een kater des doods zijn bed uit gestrompeld. Hij had de avond ervoor een feestje gevierd dat ter ere van deze opdracht en die was wat uit de hand gelopen. Hij kotste achtereenvolgens zijn eigen overwoekerde tuin, de dienstauto van zijne excellentie Timmermans en de Maastrichter parkeerplaats ‘Het oog van Sint-Pieter’ onder, maar Timmermans was zo vol van het project dat hij het niet zag, rook of hoorde. In alle opzichten opgelucht liet de kunstenaar zich gewillig meevoeren naar D’n Obervant, de stervormige uitkijkpost van de ENCI-gebied, vroeger beter bekend als de ‘mergelgroeve bij Maastricht’

M’n Jong, loester en hoever…!” orakelde Timmermans in vloeiend Limburgs terwijl hij naar een van de hoge wanden in de mergelgroeve wees. “Dat daar is het lelijke, kale gesteente waar jij mijn aangezicht in viervoud uit gaat beeldhouwen. Ik wil dat mijn mannelijke doch vrouwvriendelijke trekken goed tot hun recht komen. Omdat ik nogal populair ben wil ik er niet één, maar vier naast elkaar zoals bij Mount Rushmore, die rots met die vier Amerikaanse presidenten. Dan hoeven de mensen die mij willen aanschouwen elkaar niet weg te duwen om mij goed te kunnen zien”. Nog voordat de kunstenaar zijn mond open kon doen gaf Timmermans hem een hand. “Ik had graag nog met je willen praten maar ik moet nu echt weg, want ik moet een drankje nuttigen met mijn vriend Juncker. Haije!”

Zo snel als zijn dikke beentjes hem dragen konden stoof Timmermans weg.  De kunstenaar keek hem verstoord na.  ‘Dich höbs un pan aaf,” mompelde hij. Hij pakte zijn blocnote en schreef op: ‘Mount Rukmore, 4x Timmermans’. Hij zou er een lieve cent voor krijgen dus het kon hem verder eigenlijk weinig schelen, al wilde die vent twíntig beelden van zichzelf. Zijn schoorsteen moest roken en hij zelf ook, dus zette hij zijn verstand – voor zover die niet al op nul stond – op nul  en ging aan de slag.

Ruim een maand later was het eerste hoofd zo goed als klaar. De kunstenaar zat op zijn steiger een stickie te roken toen er op hoge poten een mevrouw van de gemeente Maastricht aan kwam lopen. “Zeg meneer, ik zie dat u hier met Frans Timmermans bezig bent,” riep de mevrouw naar boven. “En ik heb gehoord dat er met u is afgesproken dat u nóg drie beeltenissen van die man gaat vervaardigen.” De mevrouw, van het type dat graag op gelijke voet met anderen sprak, begon langs de steiger omhoog te klimmen. “Dat ene hoofd is tot daar aan toe, maar het maakt de oehoes in dit natuurgebied bang en Noordse woelmuizen onvruchtbaar. Nóg drie van die koppen zou desastreuze gevolgen hebben voor onze Maestrechter Flora’s en Fauna’s,” zei ze toen ze boven was. De mevrouw leunde even met haar ellebogen op haar knieën om op adem te komen, haalde een paar keer diep adem en zei, terwijl ze overeind kwam: “U mag uw werk afmaken, maar er mag géén Timmermans meer bij!”

“Wat jij wil, ”zei de kunstenaar. “Zeg maar wie er dan voor in de plaats moeten komen. Ik ben ingehuurd voor vier van die koppen, en ik ga pas weg als die klaar en betaald zijn. Dus zeg het maar meadje... Heeft die Timmermans misschien een paar mooie vrinden?” “Als je niet weet hoe ik heet noem je me maar mevrouw,” zei het meadje kattig. “En zijn vrienden ken ik niet, die zou ik niet eens wíllen kennen.” Ze maakte een gebaar waaruit duidelijk bleek dat het haar verder geen bal interesseerde wie er allemaal in Timmermans’ kielzog mee zwommen. “Kijk maar op Google,” zei ze, terwijl ze weer langs de steiger naar beneden begon te klimmen.  “Ze noemen die kerel ook wel Frenske en waar de mond van vol is, daar loopt het hart van over, zeggen ze. Wie er de meeste woorden aan vuil maakt zal dus zijn beste vriend wel zijn…”

De kunstenaar keek het meadje na en haalde zijn smartphone uit zijn zak.  Hij tikte in Google de opdracht ‘Frenske Frans Timmermans’ in en las een regel van de eerste link die verscheen ‘jarenlang had ik Frenske in de schijnwerpers gezet in mijn columns’, stond er.  Het kon het niet anders of deze persoon was daadwerkelijk Timmermans zijn beste vriend. Hij noteerde de naam, zocht een paar duidelijke foto’s en gaf op de wand alvast wat ruwe lijnen aan. In de weken die volgden beitelde de kunstenaar er lustig op los en in de serene rust van de door vogelzang omlijste omgeving verschenen naast het bolle hoofd van Frans Timmermans langzaam maar zeker de woest aantrekkelijke vormen van het gezicht van Arthur van Amerongen.

Om het resultaat eens goed te kunnen bekijken was de kunstenaar naar D’n Obervant gewandeld toen er plotseling uit het niets een wat sjofele figuur opdook.  “Da hedde gij goed gedoan!” zei de man in onvervalst Eindhovens, terwijl hij naast de kunstenaar plaats nam. “Hé…” zei de kunstenaar na een korte inspectie van het gezicht van zijn nieuwe metgezel. “Benne gij nie Joris van Os?”  Naast hem maakte het hart van Joris van Os een sprongetje van blijdschap. “Jawel, dat ben ik!”  “Aha! Dan ben jij het liefje van die meneer…” zei de kunstenaar terwijl hij naar de tronie van Arthur van Amerongen wees. “Lijkt me een schatje, die van Amerongen.” Verbaasd keek van Os de kunstenaar aan.

“Dat staat op Facebook, dat jij een relatie hebt met die van Amerongen…” verklaarde de kunstenaar zich nader. Met een zucht legde van Os aan de kunstenaar uit dat hij alleen maar onzin uitkraamde op Facebook en dat hij het van van Amerongen niet precies zeker wist, maar dat hij zelf niets méér voor van Amerongen voelde dan louter en alleen een diep collegiaal respect. Dat hij waarschijnlijk in een of andere dolle bui op Facebook aangegeven had een relatie te hebben met Arthur van Amerongen maar dat dit dus helemaal niet waar was.  “O, oké,” zei de kunstenaar. “Maar als je het niet erg vindt zou ik jouw prachtige verschijning toch graag willen vereeuwigen naast die van van Amerongen”.

Als door een wesp gestoken sprong van Os op. “Mijn beeltenis naast die van Arthur van Amerongen?! Kerel! Ben je wel wijs?!” gilde hij. “Ik heb een reputatie hoog te houden, man! Ik wil níet gezien worden met van Amerongen, hoor je! Niet, njet, ekki, not, hoor je! Nu niet en nooit niet, begrepen?!” Van Os zwaaide met een vinger voor de neus van de kunstenaar. “Onder geen enkele voorwaarde wil ik naast van Amerongen, in geen honderdmiljard jaar, is dat duidelijk?! En wat doet Paulus de Boskabouter trouwens naast van Amerongen?”

De kunstenaar was zo stoned als een garnaal en kon zich dientengevolge niet bepaald druk maken om het hysterische geschreeuw van Joris van Os. Kalm antwoordde hij: “Dat is niet Paulus de Boskabouter. Dat is Frans Timmermans, de Keizer van Europa en omstreken.” Even viel er een oorverdovende stilte. “De wie van wát?!” brieste van Os. “Timmermans,” antwoordde de kunstenaar. “Frans Timmermans. Frenske. Hij ging koning van de EU worden, of zoiets.”  Van Os trok een wenkbrauw op.  “Ik weet niet wat je precies gesnoven hebt maar die Timmermans is allang afgetroefd door zijn eigen stokpaardje,” bitste van Os. “Dat zelfingenomen misbaksel dacht de EU-verkiezingen te zullen winnen door te roepen dat hij eigenlijk een misbruikte feministe is die precies begrijpt wat de Europese vrouw nodig heeft en nu hebben ze daar bij de EU een échte vrouw met zeven zelfgebaarde kinderen verkozen. Dus je kunt Timmermans van je kunstwerk afhakken, die vent is geen cent meer waard. En ik ga nu weg, want ik kan hier niet meer tegen!” Van Os bracht zijn gezicht dicht bij dat van de kunstenaar en prikte met een wijsvinger venijnig in diens borstkas. “En jij, jij zet mij niet naast van Amerongen, hoor je me! Anders dan… dan…  Dan doe ik… iets!” Van Os rechte zijn schouders, haalde diep adem door beide neusgaten, trok zijn jasje recht, gooide zijn weelderige haardos naar achter en beende nijdig het pad af, op zoek naar een poes om te aaien en weer rustig te worden.

“Sjaele wiekser…” mompelde de kunstenaar terwijl hij terug wandelde naar zijn werkplek. “Het lijkt wel of iedereen hier gek geworden is”.  Met een diepe zucht pakte hij zijn smartphone en belde met het meadje van de gemeente. “Zeg mevrouw,” sprak hij terwijl hij tegen zijn steiger leunde. “Je spreekt met de kunstenaar. Ik heb een probleem…”

Er volgde een lang gesprek over hoe het nu verder moest. Er kon geen sprake van zijn dat er na zijn enorme verkiezingsnederlaag nog een monument zou komen voor Frans Timmermans, maar alles terugbrengen in de oude staat ging natuurlijk ook niet. Er waren een aantal mogelijkheden, legde de kunstenaar aan het meadje uit: Hij kon bijvoorbeeld Timmermans zo laten zoals die op dit moment was, omdat Timmermans als drie druppels water op vader Abraham én Paulus de boskabouter lijkt. Met een smurf en Eucalypta erbij zou het best een aardig gezicht zijn, dacht hij. “Van Amerongen valt dan wel een beetje buiten de boot,” zei de kunstenaar. “Maar die is dat wel gewend, als ik al die boeken en stukkies van hem goed gelezen heb”. 

Het meadje van de gemeente was echter bang dat er allemaal oehoes, vleermuizen, vlinders en woelmuizen zouden bezwijken vanwege busladingen gillende kinderen die Mount Rukmore zouden komen bekijken en beklimmen. Bovendien hoorden de bolhoed en de heks niet thuis in de het Limburgse landschap, om van smurfen maar te zwijgen. Buiten dat zou de gemeente de beeltenis van van Amerongen tussen de andere drie beelden tot in den treure aan iedereen moeten verklaren en daar hadden ze de mensen niet voor. “Wacht u even, ik bespreek dit even met wat collegae’s”, zei het meadje.

Op de achtergrond hoorde de kunstenaar het geroezemoes van een koortsachtig overleg, maar al snel klonk daar weer de stem van het meadje: “Kunstenaar, we hebben het probleem opgelost. Laat van Amerongen maar hangen, die heeft hier volgens een van mijn collegae’s ooit een mislukt toelatingsexamen gedaan voor de toneelschool. We geven er wel een draai aan, toeristen slikken tegenwoordig alles. Bovendien interesseert het de mensen verder toch niet, die komen alleen maar om selfies voor op Instag

ram te maken. Die Timmermans moet je maar even omtoveren tot iets beters en die andere twee zoek je zelf maar uit. Je vindt vast wel een paar mensen die op de ene of andere manier met die van Amerongen samenhangen. Als je dan de namen even door wil geven dan draaien mijn collegae’s van de VVV er wel een verhaal omheen. Haije!”

Word (ws niet) vervolgd.

*ik weet dat je collegae  en flora en fauna niet met ‘s schrijft en dat het hart niet overloopt van waar de mond vol van is (al zal menig cardioloog dat betwisten). Dit hopelijk ten overvloede, doch ter voorkoming van misverstanden.

Mount Rukmore
De portretten zijn van mijn hand, de fotobewerking is van Joris van Os!
Wie is wie?
Terwijl ik bezig was met deze tekening wilden mensen weten wie wie was en wat ze met elkaar te maken hadden. Joris van Os staat er niet bij want op dat moment wist ik niet dat hij zich er mee zou gaan bemoeien.

Op reis door de Algarve met Arthur van Amerongen

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Arthur van Amerongen en Gabriel Kousbroek

Een paar jaar geleden repte ik mij na het verkrijgen van Het Grote Foute Jongens boek van Arthur van Amerongen en Rob Hoogland richting hun illustrator en vroeg hem om een handtekening.

Zo’n handtekening van Gabriël Kousbroek is een belevenis op zich, want terwijl ik toekeek maakte hij in mijn boek een piepklein zelfportretje.  “Wat is je naam?” vroeg dhr. Kousbroek

“Sandra,” antwoordde ik. 20190721_170001[1]

“Welke Sandra?”

“Sandra Straatman.”

En toen sprak hij de gevleugelde woorden:

“O, dié Sandra…”

Een beetje verbluft keek ik toe hoe het signeren werd afgerond met een tekst in een tekstballon.

De tekst luidde:    Voor Sandra -Van Gabriël  – Neem ’t getekende met een korrel zout! – xxx!

Dat ‘o, díe Sandra’ en de intens afkeurende blik van de kunstenaar – die hij onderwijl stoïcijns op zijn werk gericht hield – kwamen natuurlijk niet uit de lucht vallen. Op het grote boze Facebook was tussen Kousbroek en mij eens een misverstand ontstaan doordat ik op dat moment de waarde van het gebruik van de emoticons nog niet goed wist in te schatten.

Er kwam rond de feestdagen op Facebook een tekening van Kousbroek voorbij van een tafereel waarop een orgie plaatsvond die zich in een volmaakte cirkel afspeelde.  “Wanneer was dat?” grapte ik enthousiast “Met kerst? En wie is wie? En wie hield er zijn bergschoenen en zijn sokken aan? Dhr. van Amerongen?”

Terwijl Arthur van Amerongen de zaken vrolijk nog wat erger maakte dan ze al waren reageerde dhr. Kousbroek, kennelijk netter opgevoed dan ik vermoedde, zeer gepikeerd op mijn tekst en antwoordde dat het om een illustratie ging, die niets van doen had met wiens kerstdiner dan ook en dat ik niet alles serieus moest nemen wat hij tekende. Vanaf dat moment gooi ik op de sociale media iedereen waar ik op reageer dood met emoticons, gifs en afbeeldingen, uit een diepgewortelde angst dat ik anderen net zo doodongelukkig maak als Gabriël Kousbroek in dat kille najaar van 2016.

Je vraagt je na zo’n enorm verhaal over Kousbroek waarschijnlijk af  wat dit nu eigenlijk allemaal te maken heeft met het nieuwste geesteskind van Arthur van Amerongen, maar het is logischer dan je denkt:

D_mEda4XsAIlnVxIn ‘Op reis door de Algarve met Arthur van Amerongen’ – een verzameling van columns rond dhr. van Amerongens huidige land van herkomst die rijkelijk voorzien is van bijpassende illustraties van dhr. Kousbroek – schrijft de schrijver namelijk dat hij geen fantasie heeft. Maar fantasie of niet, Arthur van Amerongen heeft wél  het enorme creatieve talent om de wegen, de waarheden en het leven zodanig te beschrijven dat het eigenlijk niet te doen is om precies uit te zoeken waar de humor begint en waar de ellende eindigt. Al lezend word je meegesleept – en dan niet in de negatieve zin van het woord – door de Algarve en tussen de regels door lees je precies waar je wel of niet naartoe moet, wat er wel of niet te doen is en waarom het er wel of niet leuk is om heen te gaan. Of je al die dingen dan ook wel of juist niet moet bezichtigen of bezoeken laat hij door zijn innemende manier van schrijven volledig aan de lezer over, de lezer wellicht in blijde verwarring achterlatend. En daarom roept dit boek bij mij de herinnering op aan de arme Gabriël  Kousbroek, die mij hopelijk inmiddels heeft vergeven.

Ik heb ‘Op reis door de Algarve met Arthur van Amerongen’ nog lang niet uit – en gelukkig maar, want ik geniet me echt een slag in de rondte. Ik vind het een boek voor een rijkgeschakeerde groep lezers: Mensen die onder geen enkele voorwaarde naar Portugal willen vinden er een bevestiging dat ze er niets te zoeken hebben, terwijl mensen die er al jaren met heel veel plezier komen, wonen of overwinteren er een bevestiging in vinden van hun overtuiging dat de hele wereld gelukkiger zou zijn als de voltallige mensheid naar de Algarve zou emigreren.

Het is een heerlijk boek voor mensen die gek zijn op de onnavolgbare schrijfstijl van Arthur van Amerongen en het is absoluut een kado-idee waar je menig jarige blij mee maakt (al zou ik wel voorzichtig zijn met de tere ziel van je oude tante in de Bijbelbelt, want daarbij zou van Amerongen wel eens nét iets te veel emoties kunnen oproepen). Als iemand niet van lezen houdt dan is nog steeds een lust voor het oog vanwege de prachtig geïllustreerde kaft. Zelfs als je het boek ondersteboven op het bureau van je puberende kleinzoon legt zou hij er nog heel veel plezier aan kunnen beleven.

Dus op de vraag ‘Moet ik dat boek nu wel voor mezelf/de buurvrouw/Ome Erik/mijn collega kopen, of niet?’ zou ik uit het diepst van mijn hart antwoorden: Ja, doe maar. Het is echt de moeite waard!

 

Update: dhr. Kousbroek heeft mij schriftelijk  geadviseerd om dat wat hij zégt ook maar met een korreltje zout te nemen.

 

index

 

Tinderen op zijn hondjes

 

Hondentinder

Afgelopen zomer liep ik langs een meneer die ruzie had met zijn hond. Het was een ongelijke strijd, want de kalende man schatte ik ruim één meter vijfennegentig, de ruwharige viervoeter was een teckel. Desalniettemin ging het hard tegen hard. De meneer had het beestje onder de arm kunnen nemen en glashard verder kunnen lopen, maar dat vertikte hij, zoals de meeste mannen doen die getrouwd zijn met een vrouw die verliefd is geworden op ‘zo’n klein rothondje’. Men mocht eens denken dat ze een nicht zijn, zeg… Of dat ze die blaffende handtas zélf in huis hebben gehaald! Nee, die misverstanden moeten ten aller tijde worden voorkomen.

Natuurlijk maakt het voor de reputatie van de man van bovengemiddelde lengte met een in verhouding veel te kleine hond geen reet uit of hij zijn huisdier in zijn armen meedraagt of niet want we weten allemaal hoe het zit: Met vrouwen getrouwde lange mannen (niet te verwarren met lange mannen die getrouwd zijn met een kerel) die op straat met kleine hondjes lopen hebben over de komst van hun blaffende huisgenoot meestal weinig tot niets te zeggen gehad.

Dat is meestal hun eigen schuld, want dit soort mannen is namelijk over het algemeen genomen nogal goeiig. Zoals olifanten, zeg maar; door hun omvang en gewicht hebben ze weinig te vrezen en daardoor leren ze het langzaam maar zeker af om op hun strepen te staan. Die gewoonte slijt erin naarmate het huwelijk vordert en uiteindelijk geven ze hun vrouwen gewoon altijd hun zin. Als zo’n vrouw dan op een dag besluit dat ze een kuttenlikkertje wil dan komt die er dus gewoon.  Het enige wat de heren er over te zeggen hebben is: “Als je maar weet dat ik d’r niet mee gaat lopen.” En dat is dan dat.

De komst van de handtas op pootjes binnen het territorium van de lange, goeiige vent is in het begin niet zo’n probleem, maar de heren worden uiteindelijk allemaal gedwongen het dier af en toe uit te laten. De lobbes van minstens 1.95 gaat dat dan braaf doen, maar niét in het openbaar. Onder het mom van ‘dat vrouwen ’s avonds niet alleen over straat moeten, want dat is veel te gevaarlijk’ laten ze het beest uit op een tijdstip dat er niemand kijkt of als de zon onder is. Dat hij denkt dat niemand deze slinkse denkwijze doorheeft is een misvatting, maar ach… als zo’n man zich daar prettig bij voelt zie ik niet in waarom we hem daarop zouden wijzen.

Ik had het geluk dat deze meneer zijn hondje uitliet in het volle daglicht, waardoor ik getuige was van de strijd die zich tussen hen afspeelde. Het teckeltje zette zich voortdurend schrap en vertikte het om zich nog te bewegen, behalve dan in een poging zich om te keren en terug te lopen naar waar hij eigenlijk heen wilde. De baas had blijkbaar een verkeerde route gekozen en de teckel probeerde te voorkomen dat nog meer schade aan de wandeling zou worden aangericht.

Voorzichtig tilde de teckel af en toe een pootje op en dat gaf de man dan de gelegenheid om het boze beest uit evenwicht te brengen. Dat deed hij door een kort rukje aan de riem te geven, waardoor het beest gedwongen werd een stap of wat vooruit te doen. Nu zijn vier stapjes van een teckel verwaarloosbaar, dus niemand schoot er iets mee op, maar de aanhouder wint: deze cyclus herhaalde zich hierna nog tientallen keren en na veel vijven en zessen kwamen ze stukje bij beetje vooruit in het voordeel van de baas.

Het zag er allemaal erg knullig uit, niet in het minst vanwege het enorme verschil in postuur en de overeenkomsten in vasthoudendheid. “Hij is gewoon eigenwijs, “zei de man toen ik in het voorbijgaan een praatje met hem aanknoopte. “Misschien moet je hem optillen?” opperde ik. De man keek me aan alsof ik iets heel doms zei: “Hij heeft toch poten? Laat hij die maar gebruiken dan. Bovendien: Als hij eenmaal bij het zebrapad is doet hij weer volkomen normaal.”

Ik wilde die gedaanteverwisseling wel eens van dichtbij meemaken, dus ik besloot de man tot bij het zebrapad te vergezellen. Het werd een gezellig ‘wandeling’ al duurde het een eeuwigheid en uiteindelijk kwamen we er dan toch: bij het zebrapad. Vlak voor het fietspad dat ons nog van het zebrapad scheidde ging er in het kopje van de hond een knop om en plotseling, alsof hij al die tijd gewoon een voorkeur had gehad voor wit met zwarte strepen, veranderde het eigenwijze mormeltje in een heel blij en opgewekt hondje dat ontzettend fijne dingen ging doen.

De metamorfose die voor mijn ogen plaatsvond hield me maandenlang bezig. Wat was dit toch voor een gekke hond? Hier moest toch een verklaring voor zijn? Hoe ik ook dacht en dubde, ik kon er geen verklaring voor bedenken. Tot ik op een dag ontdekte welke mevrouw er precies bij dit lachwekkende setje hoorde.  Meteen begrijp ik wat de baas fout deed. In één oogopslag werd duidelijk dat de mevrouw haar fikkie beter begrijpt dan haar man, ook al geloof ik niet dat zij wél beseft hoe zo’n hond werkt.

Honden gaan niet ‘even een plasje doen’, zoals veel mensen kennelijk denken, nee: honden gaan hun territorium inspecteren. Dat is iets waar niet iedereen bij stil staat. Terwijl wij geen flauw idee hebben wat zo’n hond allemaal meemaakt tijdens zijn route langs plasjes, poepjes en geurvlaggetjes pikt zo’n dier informatie van onschatbare waarde op over hoe oud en hoe gewillig bijvoorbeeld de loopse teef van nr. 120 op dit moment is. En aan die info voegt hij toe dat hij een reu van 6 is en dat hij best wel eens zou willen babbelen en dat hij, als het klikt, graag een nestje puppy’s met haar wil maken. Dat de loopse teef van nr. 120 een enorme Blonde Labrador is maakt zo’n teckel tijdens het Doggystyle-Tinderen niet zo veel uit.

Of het praktisch eigenlijk wel mogelijk is om als teckel een labrador te bespringen weet ik niet, maar daar krijgen de tortelduifjes toch nooit de kans voor en dat doet dan ook niet ter zake. Wat veel belangrijker is, is dat aan her en der verspreidde urine even verderop te ruiken is dat de grote herder van twee straten achter het park al 17 jaar is en elk moment aan ouderdomskwalen kan bezwijken zodat de teckel een concurrent minder heeft. Kortom: Een hond gaat niet uit. Voor een hond is ‘een plasje doen’ hetzelfde als sexting voor een mens.

De bazin van de teckel weet vast ook niet dat haar schattenboutje alleen maar aan seks denkt en dat hij met ieder plasje zijn best doet om concurrenten angst aan te jagen, maar daar ondervindt onze teckel geen hinder van. Voor hem is alleen maar belangrijk dat hij iedere dag ongeveer dezelfde route loopt, zodat hij op de hoogte blijft van het wel en wee van zijn kansen bij de lekkere wijfjes in uit de buurt.

Het vróuwtje heeft de kleine Tindermans inmiddels al aangeleerd dat ze het beste gewoon rustig achter hem aan kan wandelen terwijl hij socialized in de struiken van het park, iets wat hij haar echtgenoot nog moet bijbrengen.  Maar ik vrees dat dát niet gaat lukken.

Sjors

Terwijl ik op de loopband wandel zie ik in mijn linkerooghoek Sjors aan komen. Ik weet helemaal niet hoe die man precies heet, maar ik vind Sjors een fijne naam voor hem. Het roept het beeld bij me op van een man die van aanpakken houdt en die zich in welke omstandigheid dan ook rustig aan zijn taken kwijt. Een man waar je er gerust een heleboel van kunt hebben omdat ze eenvoud en rust uitstralen terwijl ze in stilte doen wat ze te doen hebben.

Nu is er in de ontwikkeling van Sjors iets misgegaan, maar dat maakt hem niet minder waardevol. Hij is allang de vijftig gepasseerd en werkt op verschillende plekken in onze wijk vanuit de sociale werkplaats, die een paar jaar geleden opeens van overheidswege overhoop werd gehaald. Van alle mensen die plotseling ‘midden in de maatschappij’ moesten gaan werken door eenvoudige werkzaamheden in de diverse winkels van het winkelcentrum te verrichten is Sjors de enige die dit zonder begeleiding kan. Het project is volledig mislukt al zal de overheid het niet toegeven ondanks dat alle mensen die eraan meededen inmiddels zijn verdwenen. Maar Sjors is er nog.

En hij voelt zich er zichtbaar goed bij, bij zijn werk in de maatschappij in plaats van erbuiten, al vond hij het binnen de sociale werkvoorziening ook vast heel fijn. Zolang hij maar de dingen kan doen die hij goed kan op de manier waarop hij het goed kan en als hij die dingen alléén mag doen hoor je Sjors niet klagen. Hij is een doener, hij moet iets om handen hebben. En altijd hetzelfde doen is niets voor hem, dus heeft hij niet één maar drie baantjes waar hij geknipt voor is. En hij doet het goed omdat zijn begeleiders hem met liefde en geduld geleerd hebben hoe hij die het beste kan uitvoeren.

Ik vind het heerlijk om Sjors tijdens zijn werk te observeren, want ik heb de opleiding Activiteitenbegeleiding gedaan en Sjors is dus eigenlijk een beetje mijn vakgebied. Iedere keer als ik boodschappen doe bij de supermarkt onder de sportschool en Sjors daar tegenkom voel ik de neiging om een krukje te pakken en naar hem te gaan zitten kijken, want het is zó leuk…

Zo heeft men Sjors bijvoorbeeld geleerd dat je in een supermarkt de nieuwe spulletjes achter de oude spulletjes moet zetten, want de oude appelmoes moet éérst door de klant gekocht worden en dáárna pas de nieuwe, zodat niemand met een potje bedorven appelmoes naar huis gaat. Dus Sjors krijgt dan een winkelwagentje, waar hij alle ‘oude’ potjes appelmoes in zet. Vervolgens zet hij de nieuwe potjes appelmoes in het rek en dan zet hij de oude potjes er voor. Tot zover doet hij zijn werk, zij het wat trager, net als alle andere vakkenvullers. Op het eerste gezicht zul je niet een twee drie doorhebben dat Sjors het werk, – en denkvermogen van een kind heeft. Tót hij op een dag op de afdeling toilet- en keukenpapier moet bijvullen: Want hij haalt óók eerst de oude wc-rollen uit het schap voor dat hij de nieuwe plaatst….

Vandaag was het geen vakkenvul-dag in de supermarkt voor Sjors en ook geen afwas-dag in de keuken van het wijk- en dienstencentrum. Het was vandaag de dag dat Sjors zijn wekelijkse pakketjes reclamefolders bezorgd. En dat doet hij bij de flat die precies tegenover mijn loopband staat. Hij is vandaag gekleed in een oliejas die zó groot is dat het lijkt alsof hij vannacht ergens bij Alaska bij zeer ruwe zee op Koningskrab gaat vissen. Samen met zijn typische stampende tred lijkt hij daardoor een beetje op een hele grote kabouter. Zoals altijd zette hij zijn postkar bij het laatste rijtje brievenbussen, op de rem. Daarna pakte hij een in plastic verpakte stapel reclamefolders en deed deze half in de bus. Vervolgens liep hij terug naar zijn kar, nam weer een pakket en stopte die weer halverwege een brievenbus.

Dat doet hij op deze manier omdat hij alleen reclamefolders moet bezorgen in de bussen waar een sticker op zit waarop staat aangegeven dat reclame gewenst is. Omdat hij niet kan lezen kan hij niet zien of hij al reclamemateriaal in bus 33 heeft gestopt en daarom laat hij de helft van de post uit de brievenbus steken. Op zijn gemak loopt Sjors heen en weer tussen zijn postkarretje en de brievenbussen, tot hij aan het einde van het rijtje aan de rechterkant van de algemene portiekdeur is aanbeland. Dan doet hij de klep van zijn postkar netjes dicht, en duwt het ding vervolgens naar de brievenbussen aan de andere kant, waar hij aan de hand van de ‘ja-ja’ en ‘nee-nee’ stickers de de rest van de folders halverwege de een groot aantal brievenbussen steekt.

En dan is hij komt er een prachtig moment: Sjors doet een paar passen naar achteren en controleert zijn werk. Ja, hij heeft allebei de kanten gedaan en uit alle brievenbussen met een ‘ja’ sticker steekt reclame. En die duwt ‘ie vervolgens op zijn dooie gemakje één voor één naar binnen. En dan gaat hij tevreden en voldaan terug naar de sociale werkplaats.

Terwijl er op de trainingsapparaten om me heen allerlei mensen op beeldschermen zitten te turen of met hun telefoon zitten te kloten kijk ik naar Sjors.

Lekker rustgevend.

20190209_170343