Uitgelicht

Sinterklaas en de slavernij


Daarom heb ik zo’n hekel aan Rutte, die opeens ‘begrijpt’ dat men moeite heeft met zwarte Piet, Jerry Afriyie, die zwarte Piet niet moet omdat hij zich heeft laten aanpraten dat zwarte Piet is bedacht om blanke kinderen te leren dat ze zwarte kinderen mogen uitlachen en aanstellers als Akwasie.
Maar ja. Wat doe je er tegen. Nederland moet kapot, want dat is goed voor de diversiteit en inclusiviteit.

Er is een verhaal uit 1500 na Christus, een legende. Het is een legende die is opgeschreven door Michaël de Archimandriet. Wie die Michaël precies is weet ik niet en ik ga me er nu ook niet in verdiepen, maar toen ik de legende voor het eerst las vroeg ik me af of ik het niet al eens eerder had gehoord. Na een tijdje wist ik het weer: Ik hoorde het op de lagere school.
Ik zat op een school voor speciaal onderwijs, omdat ik – 15 maanden oud – uit een raam was gevallen en daar een hersenbeschadiging met de nodige euveltjes aan overhield. Geen enkele school in Delft wilde mij hebben, maar het schooltje voor slechthorenden, waar mijn zus vanwege haar ernstige gehoorproblemen op zat, vond een handicapje meer of minder niet zo’n probleem.
Het schooltje zat jarenlang in een houten noodgebouwtje en werd bezocht door welgeteld 37 leerlingen. Dat is geen typefout, het waren er gewoon 37. We waren verdeeld over zes normale klassen, die weer verdeeld waren over vier lokalen, waarvan één bevolkt werd door de twee kleuterklasjes en de rest door de zes basisschoolklasjes. Reken maar uit, de klasjes waren piepklein.
Dat was gezellig, want we hadden allemaal tegelijk pauze en we speelden met zijn allen tegelijk op het grote grasveld waarop het houtengebouwtje stond. Dat betekende dat we wat meer rekening moesten houden met de kleintjes, maar dat leerde je vanzelf.
Er was echter één probleem: Alle niveautjes die je als kind doorloopt op zo’n school vloeiden in elkaar over en zo kwam het ook dat de kleintjes dingen opvingen die eigenlijk alleen voor de groten waren bedoeld. En dat leverde wel eens lastige momenten op voor onze leerkrachten, maar zij vonden daar altijd wel een oplossing voor. Een van die oplossingen was de legende van Michaël de Archiemandriet.
Het kwam zo: Het was sinterklaastijd en we speelden met zijn allen buiten. Ik weet nog dat het koud was en dat er door een paar kinderen uit mijn klasje ruzie werd gemaakt over Sinterklaas. ‘Die bestaat helemaal niet!’, werd er gegild. Met stel kinders voor wie sinterklaas nog een fijne, spannende tijd moest zijn was zulks een onhandige toestand en we werden als de wiedeweerga naar binnen geroepen.
Een standje heeft kennelijk niet geholpen, want op een dag besloot de hoofdmeester – een in onze ogen stokoude man die dat jaar de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar zou behalen – ons uit te leggen hoe het een en ander in elkaar zat. Hij vertelde hoe het sinterklaasverhaal was ontstaan, wie Schenkman was en wie Sinterklaas eigenlijk was.
Ofschoon hij een vermoeiende energie aan de dag legde ons het joods-christelijke geloof door de strot te duwen was hij deze keer niet te beroerd het verhaal van de katholieke bischop te vertellen en de legende van de drie zusjes.
De drie zusjes kwamen uit een arm gezin en op een dag vertelde de vader dat hij één van de kinderen als slavin moest verkopen, zodat er een mond minder hoefde te worden gevoed. Wanneer ze één kind minder in het gezin zouden hebben dan zouden de anderen genoeg te eten hebben.
De kinderen baden iedere avond trouw tot Sint Nicolaas, de beschermheilige van kinderen, schoorsteenvegers en zeelui. Avond aan avond baden zij en op een dag gebeurde er iets: Via het open raam viel een zakje in de schoen van éen van de kinderen.
Het zakje bevatte een bedrag aan goudstukken, dat precies genoeg was om één van de meisjes te laten trouwen en zodoende te ontkomen aan de slavernij. Ieder jaar op de avond voor de sterfdag van sint Nicolaas (6 december) herhaalde zich dit tafereel, tot alle kinderen gered waren van de slavernij.
Op deze manier wilde de hoofdmeester voorkomen dat we aan de jongere kinderen zouden verklappen dat Sinterklaas niet bestond en zwarte Piet ook niet, zodat de kleintjes – zoals we iedereen in de lagere klassen noemden – van het spannende kinderfeest konden genieten.
Het verhaal vind ik zó ontroerend dat ik het tot op de dag van vandaag vreselijk vindt dat het ten prooi is gevallen aan vervelende figuren die het hebben gekaapt voor hun eigen doelen. Want laten we eerlijk zijn: Een verhaal dat draait om het voorkomen van kinderslavernij kapen omdat je ooit Aquarium bent genoemd terwijl je dat erger vindt dan dat een ander dikke, lange, lelijke, rooie, Pipo, Stomme Koe, of André van Duin bent genoemd is in mijn ogen te walgelijk voor woorden.
Maar nu kwam ik gisteren nog iets tegen wat maakt dat ik de hetze rond zwarte Piet belachelijker vind dan ooit:
Nederland begon in 1621 deel te nemen aan de slavernij. De legende van Michaël de Archimandriet dateert van 1500. Jan Steen, maakte in 1656 een schilderij, Het Sint Nicolaasfeest, dat in mijn ogen een reden is om te vermoeden dat er in Nederland, al láng voor de slavernij begon, mensen tegen de slavernij waren en daar zelfs een feest omheen had gebouwd.

Corona-ontkenner

Vandaag ontdekte ik onverwacht wat een vreselijke mensen die corona-ontkenners eigenlijk zijn. Persoonlijk vind ik dat het allemaal echt wel een tandje minder dramatisch mag, maar terwijl ik totaal geen voorstander ben van mondkapjes houd ik me al vanaf het begin de overige geldende adviezen. Niet omdat van Dissel het zegt, want ik heb nog nooit naar de persconferentie gekeken en ik ga dat ook zo houden, maar omdat ik de logica erachter begrijp.

Die logica heb ik opgedaan nadat ik het hoofd Facilitaire Zaken van het verpleeghuis waar ik vrijwilligerswerk deed min of meer heb gedwongen een masterclass over virussen te organiseren omdat er ieder jaar vanaf oktober zoveel vrijwilligers doodsbang waren voor – met name – het norovirus. Paniekerig gedoe over wel of niet inenten en hoe groot de kans was dat je doodging (vrijwilligers zijn over het algemeen allemaal 70plussers-ers) was er tot ver in maart aan de orde van de dag en ik vond dat daar maar eens een eind aan moest komen.

Zo’n masterclass is heel verhelderend, omdat je daardoor de logica begrijpt achter het wassen van je handen, het advies om vooral niet in je ogen te wrijven of aan je mond of neus te komen. Virussen kunnen alleen kwaad als ze zich in je lichaam bevinden en daar kunnen ze alleen komen mond, je neus en via het wrijven in je ogen en daarbij spelen je handen een grote rol. Dus het advies om vooral veel handen te wassen en afstand bewaren is voor mij meer dan genoeg en de rest lees ik wel ergens.

Helaas worden we geregeerd door een man die kennelijk liever iedereen te vriend houdt dan dat hij echte duidelijke maatregelen neemt waar iedereen zich aan moet houden. Maatregelen die gebaseerd zijn op – enerzijds – de kennis van mensen die het weten kunnen en anderzijds de angst van mensen die die kennis te simpel vinden klinken en liever zouden zien dat mensen zich voortaan alleen op straat zouden begeven in een hermetisch gesloten maanpak. In plaats van dat we – zoals in maart 2020 – alleen mensen hadden die de coronaregels overdreven vonden en mensen die werkelijk alles aannemen en alles wat het illustere kwartet De Jonge, van Dissel, Rutte en Grapperhaus aan tegenstrijdige informatie rondstrooit als zoete koek slikt, hebben we nu wel víer groepen: Mensen die het gevoel hebben dat de helft van Nederland inmiddels al aan corona is overleden, mensen die de coronaregels vergelijken met nazisme, mensen die meer mondkapjes willen, ook al hebben die logischerwijs geen nut en mensen waar ik mezelf achter schaar; die hun handen wassen en afstand houden omdat het zo’n kleine moeite is en er verder geen drama van maakt.

Ik voor mij vind dat Rutte en zijn gevolg allang vóór we van het bestaan van corona wisten had moeten opstappen. Dat idee is alleen maar sterker geworden omdat vooral hun visieloze ideeën vooral veel onrust veroorzaken, maar verder had ik weinig tot geen last van de situatie. Echter, nu de cijfers weer een grotere rol gaan spelen, de regels weer worden aangescherpt en het geruzie over mondkapjes weer oplaait, ben ik vandaag plotseling in een discussie terecht gekomen met een heuse corona-ontkenner.

Ik hoor je denken: ‘Ach joh, jij vindt dat heerlijk, je zoekt dat zelf op. Als jij je Twitter of op Facebook in een discussie kan storten geniet je je een slag in de rondte’. Nou inderdaad, ik hou daarvan, er kan mij niet genoeg gediscussieerd worden. Ik vind het heerlijk. Maar dit was niet op Twitter of op Facebook. Dit was bij de Albert Heijn. Een plek waar mensen zich geconcentreerd bezighouden met het verzamelen van potjes, flesjes, pakjes en zakjes en waar mensen door de komst van de zelfscankassa doorgaans geen woord met elkaar wisselen. En op die plek is zo’n corona-ontkenner heel vervelend om mee te maken. Ze storen je in je gedachteloze gang richting je volgende potje, flesje, pakje of zakje.

Ik behoor, zoals ik al zei, tot de mensen die rekening met anderen houdt, gewoon omdat het kan en omdat dat ook het gemakkelijkst is. Als ik iemand in tegengestelde richting zie aankomen en zie dat het vrijwel onmogelijk is om die persoon op gepaste afstand te passeren dan ga ik in de tegenoverstelde richting op het fietspad lopen. De fietsers kunnen me dan aan zien komen, de wandelaar kan me passeren en als er een fietser achter me rijdt kan hij of zij erlangs zonder tegen mij op te botsen. Als, na het passeren van het winkelcentrum, het voetpad mensenvrij is ga ik weer op het voetpad verder. Dat doe ik al sinds maart, omdat ik in maart al ontdekte dat deze manier van voortbewegen veel minder inspannend is dan je af te vragen of iemand wel of niet bang is voor corona. Ik slinger buiten van links naar rechts en vaak genoeg werd dat zichtbaar gewaardeerd, vooral door mensen die ouder zijn of slecht ter been.

Het is een gewoonte geworden waar ik verder helemaal niet meer bij stil sta en die totaal niets zegt over hoe ik tegen de pandemie aankijk en of ik denk dat al die maatregelen wel helpen. Het is gewoon gemakzucht. Gemak dient de mens en ik vind het veel gemakkelijker om automatisch mensen te mijden dan mensen bewust in te schatten als ‘angstig’ ,‘neutraal’ of ‘ontkennend’.

In de supermarkt was ik er begin dit jaar al snel achter dat mensen heel hyperig konden reageren als je hun karretje – als die ze dan midden op het gangpad hadden laten staat om even iets te pakken – een klein stukje op zij zette. Alsof ze daardoor binnen een week aan corona zouden bezwijken. Om de rust te bewaren geef ik zo’n karretje dan een zetje met de mijne, of draai me doodleuk om, om via een andere weg bij bijvoorbeeld de aardappels te komen. Kleine moeite, groot plezier, want ik ben allergisch voor mensen die hysterisch doen. Maar de kerel waar ik vandaag mee te maken kreeg vond míj hysterisch.

Ik kwam het gangpad in gewandeld waar een meisje bij de tandpasta stond en een man daar achter bij de scheergel (niet zaniken over ‘genderbevestigend’, ik kan er ook niks aan doen). Beiden hadden hun karretje in het midden van het pad geparkeerd, want dat is nu eenmaal het gemakkelijkst. Het meisje zag me vanuit haar ooghoek aankomen, pakte zonder op te kijken een hoekje van haar winkelkar en trok die achter haar, vlak langs de stelling. Als ze op zo’n keurige manier ook haar auto parkeert is ze voor het gros van de mannen de heldin van de dag, maar dat ter zijde. De man, die verderop in het gangpad stond was echter verdiept in zijn scheergel en keek niet op of om. Met mijn meest liefdevolle stem zei ik: ‘Meneer, mag ik erdoor?’

Meneer keek me aan: ‘Je kunt er prima door hoor’, zei hij en maakte een beweging waaruit ik opmaakte dat ik vóór hem langs kon, tussen het hem en het karretje door. Nou, daar trap ik allemaal niet in, want daar krijg je doorgaans hele ongemakkelijke momenten van, zeker omdat die ruimte tussen hem en zijn karretje gewoon niet breed genoeg was. Mensen gaan hele vreemde houdingen aannemen om elkaar in een kleine ruimte te passeren en omdat je tegenwoordig nooit weet wie er wel of niet begint te hyperventileren heb ik helemaal geen zin in dit soort gedoe. ‘Ja hoor, maar het is gemakkelijker als je je karretje even een stukkie op zij zou zetten’.

De man stond op armlengte van zijn kar verwijderd en zijn voorgestelde route om hem te passeren koste mij veel meer moeite dan het voor hem was om even zijn karretje naar zich toe te trekken. De man trok zijn karretje kattig naar zich toe en ging er eens lekker aan hangen; ’O jij bent zeker zo’n dom schaapje die denkt ik ziekten overbreng? O, wat eng, zo’n virus… kijk maar uit!’

‘Nee, dat denk ik niet’, zei ik, terwijl mijn haren overeind gingen staan. Die blik in zijn ogen, die trek om zijn mond, hij had erop gewacht: Een onnozele kut die de hele dag als een bange wezel op het achtuurjournaal zat te wachten zodat ze weer kon uitrekenen hoe groot de kans was dat ze deze week nog aan corona zou bezwijken als niet iedereen een mondkapje zou dragen. Ik sta er niet eens van te kijken dat hij al sinds maandag zijn karretje voortdurend midden in het gangpad zette in de hoop mensen te kunnen aanvallen op hun domheid. ‘Maar,’ zie ik, ‘iedereen heeft een andere mening over corona en ik hou liever rekening met mensen die báng zijn dan met mensen die dom doen’.

Ik heb niet meer geluisterd naar wat hij verder allemaal nog zei, want mensen die geen argumenten hebben gaan alleen maar dom neuzelen.Wat mij betreft mag er heel snel een vaccin komen, waardoor wellicht de meeste onzin-maatregelen zullen worden ingetrokken. Want nu er vier groepen zijn die steeds heftiger gaan reageren geloof ik dat de wereld hard toe is een rust. Ik vind dat ‘nieuwe normaal’ niet normaal. Mensen gaan er gek van doen. En dat gezeur over ‘wij moeten rekening houden met die kwetsbare, angstige oudere’ kan dan ook meteen ophouden. Die kerel met zijn karretje was – naar schatting – een jaar of negenenzeventig, tachtig. En geloof me: Die zijn erger dan de jongeren, want die hebben in zo’n supermarkt helemaal geen tijd voor zulk gezwets.

Volgens mij is het gewoon Rutte zijn schuld.

Twintig, vijfentwintig jaar geleden werd door een dwalende geest hier in Den Haag besloten dat het toverwoord voortaan ‘multicultureel’ zou zijn en dat dat alle problemen rond ‘sommige jongeren’ en hun uitkering-trekkende ouders als sneeuw voor de zon zou doen verdwijnen. De mensjes met een Marokkaanse en Turkse achtergrond moesten bij de maatschappij betrokken worden en daarvoor zou alles uit de kast worden gehaald: Tante Annie d’r breiclubje eruit, Fatima erin. Het maakte niet uit waarin, als er maar MC op het formulier stond.

Al snel was het bal: Iemand kreeg in het buurthuis de subsidie van Tante Annies breiclubje omdat ze ‘buikdansles’ gaf aan vrouwen van alle nationaliteiten. De buikdans komt uit Turkije dus dat was leuk voor vrouwen uit Turkije én voor Nederlandse vrouwen en het was dus allemaal hartstike multicultureel. Dat de juffrouw blond haar en blauwe ogen had en zowat nog Nederlandser was dan de moeder van Bartje mocht de pret niet drukken. Ze ontving subsidie voor de zaalhuur en de onkosten, terwijl er niemand kwam. Niemand. Op het laatst kwam zelfs de buikdansjuf niet meer. Maar goed, die dingen gebeuren.

Anders werd het met de Nederlandse les voor vrouwen van Turkse en Marokkaanse afkomst.

Kwam ook niemand op af. Nou ja, ze kwamen er wel op af, maar de dames – steeds aanwezig in vol ornaat, door hun hun hoofddoeken volledig beschermd tegen alles wat hen buitenechtelijk zou willen verkrachten – eisten een lerares. Ze weigerden domweg lessen bij te wonen zolang de lessen werden gegeven door een man. De wisseling van de wacht heeft een jaar geduurd en ondertussen werd alles betaald.

In de tussentijd was er bij het kinder- en jeugdwerk ook het nodige aan de hand: Er werd veel georganiseerd in de wijk, maar Ali en Hassan kwamen nooit. Want ‘het sloot niet aan op hun religie en de belevingswereld’ van een jongen met een niet-westerse achtergrond en dus verscheen het eerste jeugdhonk voor Marokkaanse jongens. En daarna weer één. En weer één.

De hele stad is er inmiddels van vergeven, maar wat er ook gebeurde: Geïntegreerd werd er niet. Inmiddels had van Aartsen zich ingegraven in onze gemeenteraad en als burgemeester van Den Haag besloot hij de Marokkaanse gemeenschap tot het lichtgevende symbool van multicultureel Den Haag te bombarderen, onder het mom van ‘reik mensen de hand, dan je krijgt er iets voor terug’. Dat resulteerde in een standbeeld dat volgens de gemeenteraad het multiculturele karakter van Den Haag weergeeft. Ik meen dat onze inwoners zo’n 193 verschillende landen van herkomst hebben en ik tel uit mijn hoofd zeker 5 religies in Den Haag: Het beeld stelt twee dames voor, elk met een handtas, een telefoon én een hoofddoek. Kortom: Typische moslimmeisjes.

Een mail naar de gemeenteraad, waarin ik aangaf dat ik het niet multicultureel vond om één religie in de schijnwerpers te zetten terwijl er uitgerekend met deze groep al zoveel jaren zoveel problemen waren werd afgedaan met een slecht geschreven email dat me het gevoel gaf dat de schrijver ook niet precies wist wat er zo multiculti aan dat beeld was.

Het paar protesten die vanaf dan tegen dat beeld kwamen mochten (uiteraard) niet baten, want de doelen van van Aartsen en die van de imams in Den Haag stonden destijds al volledig haaks op elkaar. Er kwamen buurtvaders en vadercentra, die de steeds vervelender wordende problemen met jongeren moesten terugdringen. Maar toen de klachten over de zoons, neven en ooms tussen de 12 en 21 maar bleven voortduren lag het na verloop van tijd aan van alles en nog wat, maar niet aan hen.

En op een dag kwamen vanuit het zwembad dat het dichtst bij de Schilderswijk ligt berichten over groepen handtastelijke Marokkaanse jongens. En toen kregen we er een toverwoord bij: Het werd geïntroduceerd door de imams en ze spraken het uit als

DIEZKRIEMIENAZIE

Het zwembad is slechts door een bowlingbaan gescheiden van het politiebureau, maar het probleem werd afgedaan als baldadigheid, de de klachten als discriminatie en al zou je het volledige politieteam met bureaus en al midden in het bad laten afzinken, dan nog zag men geen noemenswaardige problemen. Wat daar voor een hoofdagent werkte was ons allemaal een raadsel, maar die moeten ze nog steeds opknopen. Want alles wat ook maar niet blond was of niet vloeiend Nederlands sprak was een slachtoffer en die hebben het moeilijk en die moet je niet aangeven want ze hebben hulp nodig en als je aangifte deed werd alles alleen maar erger en ach en wee en zo. (Ik kan daar nog een verhaal over vertellen met betrekking tot mijn bovenbuurman, maar dat doe ik nu even alleen op aanvraag 😆)

Enfin, dat zwembad, dus:
Er moest hoog worden gesprongen en laag worden gesprongen, maar na een hoop gedoe besloot men dat er ‘maatregelen’ moesten worden genomen, al was het maar omdat de buurt het niet meer pikte. Het werd een echte Hollandse maatregel: Men gaf gewoon iedereen de schuld en dus mocht je voortaan alleen nog komen zwemmen met een persoonlijk pasje, want dan konden boosdoeners gemakkelijk eruit gegooid worden.

Het heeft lekker geholpen want inmiddels heeft het zwembadvirus zich verplaatst naar alle uithoeken van het land en overal klinkt het toverwoord Diezzkriemienaazie, en dat al jarenlang. Sterker nog: Sinds Rutte-zoveel bedacht dat ze óók het racisme zou gaan bestrijden nu het met de discriminatiebestrijding zo lekker ging, hebben we nu niet alleen een heleboel Marokkaanse jongeren die met de paplepel hebben binnengekregen waar en wanneer ze het woord ‘diezzkriemienaazie’ moeten gebruiken, maar ook een heleboel ettertjes die zich geïnspireerd voelen door drillrap of die vinden dat ze het slachtoffer zijn van witte privileges. De jongeren van vandaag kunnen geluk niet op, want ze hebben niet één, maar twee toverwoorden die nu ook erg populair zijn bij ‘andere marginale groepen’.

Twintig jaar na het wegwerken van tante Annies breiclub zijn we geen bal opgeschoten. Het is de laatste tien jaar zelfs erger dan ooit. En weet je waarom ik denk dat dat is?

Omdat Rutte Wilders een overloper vindt, een zetelrover. Die de VVD verliet om een eigen partij te beginnen, met medeneming van een zetel die MarkieMark liever zelf had willen houden. En omdat Wilders opeens heel populair werd met zijn stokpaard om van alles wat er mis gaat in dit land de hele bups Marokkanen de schuld te geven (of hij dat wil en of hij alleen de relschoppers bedoeld zal me worst zijn, ik stem niet op de PVV en ik ga er ook niet over discussiëren) maar voor Rutte is dat stokpaad van Wilders koren op zijn molen: Het enige wat hij hoeft te doen is Wilders bestrijden onder het mom van ‘het beschermen van mensen die net zo goed bij Nederland horen als wij allemaal’.

Dat hij gisteren zei zich niet te willen afvragen waarom die Marokkaanse jongeren ‘de laatste tijd zo baldadig zijn’ is voor mij een teken aan de wand. Hij WEET wat er gebeurt, hij WEET dat er iets moet veranderen. Maar hij bijt nog liever zijn tong in tienen dan dat hij iets zegt waaruit blijkt dat Wilders van meet af aan gelijk had met de constatering dat Marokkaanse probleemjongeren aangepakt moeten worden omdat men anders de macht over het stuur zou verliezen.

Genderbeleving

-Met van Rijn.
-Goedendag, spreek ik met menéér of mevróuw van Rijn?
-Pardon?
-Spreek ik met menéér of mevróuw van Rijn?
-Wat denk je zelf?
-Ach, dat is goed dat u het vraagt. Ik mag van mijn werkgever er niet meer van uitgaan dat wanneer ik een mannen- of vrouwenstem aan de telefoon interpreteer als een mannen- of vrouwen stem het daadwerkelijk om een mannen- of vrouwenstem gaat.
-Is dit een radiospelletje of zo?
– Nee hoor, hahaha…. wacht, ik leg het nog een keer uit.
-Graag.
-Wanneer ik iemand aan de telefoon heb dan hoor ik een stem…
-Ja, anders is zo’n telefoontje vrij zinloos.
-…bij sommige stemmen denk je: O, dat is een man. Bij andere stemmen ga je er van uit dat het vrouw is.
-Dat is logisch.
– Nou, nee. Sinds kort is dat dus niet meer logisch
-Niet?
-Nee. Dat heeft te maken met de genderbeleving.
– De wát?
-De genderbeleving.
-Zal ik maar vragen wat dat is, je vertelt het anders toch wel…
-Dat hebt u goed gezien. Ons bedrijf wil namelijk zoveel mogelijk gender-neutraal te werk gaan en daarom moeten we van onze klanten de voorkeur weten. Mensen kunnen verschillende gendervoorkeuren hebben. In New York erkent men er inmiddels 31, maar wij beperken ons vooralsnog tot LHBTQAi en CiS. Het gaat tegenwoordig niet meer om wie je bent, maar hoe je jezelf ervaart. Beleeft, zeg maar.
-Aha.
– Iemand kan bijvoorbeeld een vrouw zijn maar zich een man voelen. Of een vrouw zijn en zich de ene keer vrouw en de andere keer man voelen. Of iemand kan een vrouw zijn maar geboren zijn als jongen en….
– Ja dág! Dat kan niet.
-Tegenwoordig heb je daar allerlei hormoontherapieën en operaties voor.
– Ja hallo, zo kan ik het ook.
– Dat klopt. En daarom willen wij rekening met u kunnen houden. Want wij spreken u waarschijnlijk altijd aan met meneer van Rijn, maar misschien bent u pasgeleden geopereerd en wilt u dat wij u voortaan aanspreken met mevrouw.

-(Onbedaarlijke hoestbui).

-Bent u daar nog?
-Jezus mens, ik stik zowat…. Waarom zou ik me om laten bouwen?
-Omdat het kan.
-Als ik alles zou doen wat ik wilde omdat het kan dan had ik zeven lullen.
-Pardon?
-Laat maar, ga verder.
-Dus mijn vraag is: Hoe wilt u voortaan door ons aangesproken worden.
-Met ‘zijne majesteit’.
-Dat zal helaas niet gaan.
-Doe anders zelf eens een voorstel.
-Oké… hoe voelt u zich?
– Hoe ik me voel?! Is dat belangrijk?
– Eh, ja. Want als u zich een vrouw voelt terwijl u een man bent dan wilt u wellicht aangesproken worden met mevrouw. Dat kan een wens zijn die diep in uw binnenste leeft, maar die u ver heeft weggestopt.
-O… nou, ik kan je vertellen: Mijn gevoelens zitten niet heel erg diep weggestopt. Ik ben een echte vent en het liefst zou ik je kleren van je lijf rukken, je op bed gooien en je net zo lang nemen tot je niet meer weet hoe je ook al weer heet. Zo voel ik me. Dus wat denk je dat bij mij past? Meneer of mevrouw?
-Ik noteer voor u ‘meneer’…
-Heel verstandig. Maar als je ooit nog eens terugbelt en je krijgt mijn vrouw aan de telefoon, wat zeg je dan tegen haar?
-O, u bent getrouwd?
-Verbaast u dat?
-Vind u het erg als ik daar niet op antwoord?
-Die wip kan ik nu wel vergeten zeker?
– Nou meneer, ik val op vrouwen.
– O, jij bent lésbies…
-Nee.
-Tuurlijk wel. Je bent een vrouw en je hebt een vriendin dus ben je lesbies.
-Nee meneer ik ben niet lesbisch. Ik ben een man, maar ik ben in het verkeerde… ‘
-O god…. Ja, nou heel vervelend voor je. Mijn vrouw en ik willen voortaan allebei aangesproken worden met meneer. Bel voortaan maar tussen half drie en vier uur, dan is ze altijd thuis. Doei.

Klik.

ROC-Twente en dat meisje van zeventien…

Ik ben een beetje generatieZ-moe.

GeneratieZ beslaat het voltallige arsenaal mensen die nu tussen de drie en de negentien jaar oud is en waarvan ik dacht dat ze over het algemeen genomen redelijk normaal waren: Ze doen dezelfde dingen als hun ouders vroeger deden, vinden vanaf hun dertiende alles wat hun ouders doen (en wat eigenlijk iedereen die ouder is dan zestien doet) belachelijk. Ze bestempelen iedere volwassene als hopeloos achterlopend, overbodig wezen en ze weten volgens henzelf – en volgens ‘verder iedereen die ze kennen’- alles beter. Verder maken ze graag gebruik van alle mogelijkheden die er zijn om hun persoonlijke leven gemakkelijker te maken: Klimaatdemonstratie? Ja leuk! Gaan we gelijk naar de mcDonalds en daarna naar de bios! Schrijf iets vunzigs op een stukkie karton voor als er camera’s zijn, dan kan hij daarna op de grond gegooid worden, want er zit toch geen plastic in en dat is niet schadelijk voor het klimaat. En zo voort.

Leuke generatie hoor, echt. Maar die óuders…

Een paar jaar geleden ontplofte een mevrouw omdat haar dochter niet op de klassenfoto stond, want zij was met haar kinderen in de moskee toen de schoolfotograaf kwam. Volgens moeder was het kind haar héle leven (het meisje was was 5, geloof ik) naar de gallemiezen geholpen omdat iedereen van haar klas op de foto stond en zij niet.
De discussies die door ouders worden gevoerd omdat men op school perk en paal wil stellen aan koek en snoep of limonade die kinderen mee krijgen ‘voor de lunch’ zijn eindeloos. Er worden directeuren en juffen in elkaar gemept en laatst reed een vader doodleuk met zijn auto de school binnen ‘vanwege een flink meningsverschil’. Meneer hangt nu poging tot doodslag boven het hoofd, maar ik ga er blindelings van uit dat meneer zelf vindt dat zijn kind onrecht is aangedaan.

Godzijdank heb ik geen nageslacht dus ik zit er niet middenin, maar jeetje… ik erger me er dood aan dat ouders altijd maar denken dat de hele wereld om hun kind draait. Helaas pindakaas: jouw kind is een van de velen en het zal heus lief en getalenteerd zijn, maar het is voor mensen  buiten jouzelf en de rest van de familie om  over het algemeen genomen niet een heel erg boeiende persoon. En in plaats van dat ouders van nu, zoals ouders van vroeger, dat accepteren menen zij hun nageslacht te allen tijde te moeten beschermen tegen pijn en stress en allerlei andere vervelende dingen die het kind mogelijkerwijs in zijn of haar leven tegen zou kunnen komen, want hun engeltje wordt al genoeg door iedereen onderschat. En daar gaan ouders naar mijn smaak de laatste tijd veel verder in dan goed is voor hun kind.

Zo heb ik een nichtje  die haar zoontje op een roze fiets in een roze T-shirt en met een roze Kleine Zeemeermin-rugtas over de in een roze jas gehulde schouders naar school liet gaan, want het kind moest kunnen zijn wie hij wilde zijn. Vorig jaar besloot het ventje, een leuke knul van inmiddels acht jaar met een talent voor musical en toneel, dat hij voortaan voor geel, blauw en groen ging en dat hij een donkerblauwe fiets wilde én zijn haar moest kort. Nicht in de stress: Als hij nu maar niet gepest werd…!
Ik heb maar niet eens de moeite genomen uit te leggen dat ik het idee had dat zij

80a65ae2c700056862f3d4a49a37fa50
Wie deze illustratie heeft gemaakt weet ik niet, maar ik vind het geweldig!

de zaken volgens mij omdraaide, maar één ding was duidelijk: Haar kind móet gelukkig zijn en mag nooit, maar dan ook nooit iets lelijks meemaken want stel je voor dat het gaat huilen.

Al jarenlang waarschuwen psychologen ervoor dat dit gedrag van ouders ervoor kan zorgen dat kinderen op deze manier niet leren om te gaan met tegenslagen en verdriet. Inmiddels blijkt dat een groot deel van de negentien- tot drie en twintigjarigen overbelast of depressief is omdat ze zo hun best doen om alles leuk te vinden terwijl de wereld niet met hen meewerkt en ze niet hebben geleerd da er niet alleen zonneschijn maar ook regen is en dat dat elkaar regelmatig afwisselt.
Ik moest daar tot dusver af en toe diep van zuchten, maar verder vond ik het wel best. Tot gisteren. Toen ontplofte ik zowat.

In het AD stond een artikel over een zeventienjarig meisje dat ROC Twente zwart op wit te boek  zette als een stelletje discriminerende fat-shamers. Want ze had haar hele leven kapster willen worden en de school had gezegd dat ze daar te dik voor was. Zei haar moeder.

In tegenstelling tot de meeste mensen las ik het artikel en wat bleek: Ze hebben het meisje uitgelegd dat het kappersvak qua lichamelijke belasting niet onderschat moet worden en dat overgewicht een nadeel is omdat je als kapster de hele dag stáát te werken  en ook nog eens met je armen omhoog. Het kappersvak vormt daardoor een behoorlijke belasting voor je lichaam. Het kind kwam na het gesprek huilend thuis en in plaats van dat moeder de zaken ter kennisgeving aanneemt en samen met haar dochter een oplossing zou gaan zoeken in bijvoorbeeld een bezoek aan de huisarts of een diëtiste,  besluit ze contact op te nemen met de media, waardoor nu de ene na de andere krant elkaar nabauwt en ROC Twente afserveert als een stelletje gore fat-shamers die kinderen discrimineert omdat die misschien wel dik zijn maar die  vaak wel veel   sporten en dus echt niet altijd slechte conditie hebben en dus best kapster kunnen zijn ook al zegt die kloteschool van niet.

Ach ach ach… waar gaat dit toch heen met dit land? Het illustere duo van De Grauwe Eeuw is ontstaan nadat Michael van Zeijl het niet eens was met het schooladvies dat hij kreeg, volgens hem omdat de school hem discrimineerde vanwege het feit dat zijn vader in Indonesië geboren is. Terwijl zijn leraar HAVO had afgeraden omdat Michael volgens hem de diplomatieke eigenschappen mist die hij na de HAVO voor een baan nodig zou hebben. Gezien het gedrag van Michael van Zeijl vind ik dat redelijk logisch klinken, maar wie ben ik.  Het hele land staat in de fik omdat een groepje generatieZ-ers heeft besloten dat IEDEREEN met een Nederlandse naam ALTIJD METEEN wordt uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek en alleen ZIJ ALTIJD ALLEEN MAAR een brief krijgen met daarin de regel ‘wij wensen u veel succes met uw volgende sollicitaties’. Geen haar op hun hoofd die er aan denkt dat ook Jan van Vliet dertien of vierentwintig keer zo’n brief kreeg omdat er steeds meer dan dertig sollicitatiebrieven op de mat van werkgever waren gevallen.  Het is voor deze generatie van belang dat er helder denkende ouders achter hen staan die hun verstand erbij houden en hun kroost helpen de boel te relativeren, maar dat is een groot deel van hen blijkbaar niet gegeven.

Het meisje van de kappersschool zag ik vanmorgen voorbijkomen in artikel zoveel over die discriminerende rotschool in Twente en deze keer stond er een foto bij.  Ik was op mijn zeventiende ook aardig aan de maat, maar bij haar verbleekte mijn figuur van destijds toch enigszins. En ik begrijp nu werkelijk helemaal niet meer waar die media mee bezig zijn. Met de zoveelste uit Amerika overgewaaide hype waarschijnlijk, want die doen het goed bij hun lezers. Maar jeetje zeg… vraagt er bij zo’n krant nu echt helemaal niemand zich af of je hier nou wel in mee moet gaan? Ik vind namelijk van niet, en ik zal uitleggen waarom: Ik sta namelijk aan de kant van de werkgevers.

Dat komt omdat ik een hersenbeschadiging heb en mij door één van mijn werkgevers werd geadviseerd om aan mijn neuroloog te vragen of hij mee wilde werken aan een arbeidscapaciteitstest. Dat weigerde die: “Als je daaraan begint wordt je in een arbeidsongeschiktheidsuitkering terecht en daar kom je dan nooit meer uit. En jij hebt net zo goed recht op werk als ieder ander”

Of hij mij daar een plezier mee deed of juist niet laten we voor nu even in het midden. maar de zaken zaten als volgt in elkaar: Ik heb vier diploma’s, waarvan ik de laatste drie heb gehaald door omscholingstrajecten, maar door mijn hersenbeschadiging ging het altijd op dezelfde manier fout: Ik haalde mijn diploma, vond een baan, stortte steevast na vier maanden in omdat werken door mijn hersenbeschadiging per definitie te veel energie vergt en belande vervolgens 8 maanden in de ziektewet. Vervolgens werd mijn contract niet verlengt en dan begon alles weer van voor af aan. Na een paar jaar volgde er dan weer een omscholingstraject en was ik weer aan het begin.

Tot een arts van de arbodienst besloot dat het nu wel welletjes was. Ze vroeg zich af of ik in aanmerking kwam voor Wajong. Lang verhaal kort: Ik kwam daarvoor in aanmerking en ik behaalde nóg een diploma en ging van 3 hele dagen naar drie halve dagen en uiteindelijk naar helemaal niets, doodgewoon omdat het niet ging. Het heeft me 11 jaar gekost om me daar bij neer te leggen.

Het probleem is niet het werk, het soort werk of de hoeveelheid werk, maar mijn hoofd en die is er altijd bij en die maakt er altijd een puinhoop van. Het UWV wilde nog één ding proberen en dat was een werkgelegenheidsproject voor mensen met een arbeidsprobleempje: Leeftijd, taalprobleem, langdurig werkloos… het maakte niet uit wat je probleem was: De werkgever nam je aan op grond van een of andere regeling en als je door welke omstandigheid dan ook niet verder kon met werken dan werd de werkgever gecompenseerd. Die kon dan voor dat geld dan (tijdelijk) iemand anders aannemen waardoor hij er financieel niet op achteruit ging.

En in die periode viel bij mij het kwartje:
Ik was niet het enige ‘slachtoffer’ van mijn liberale neuroloog. Voor het eerst drong het tot me door dat ik in de loop der jaren voor een hele rits werkgevers een kostenpost was geweest. Terwijl ik in de ziektewet zat was er geen geld om mij te vervangen, zodat ook collega’s hinder ondervonden van het feit dat ik ziek gemeld was en zij daardoor harder moesten werken, terwijl ik juist was aangenomen om dat probleem op te lossen.

Dit is waarom ik vind dat moeders en dochters als deze wannabee-kapster en haar moeder een schop onder hun kont moeten krijgen. Want eerlijk is eerlijk: Het meisje is flink aan de maat. Ondanks dat ze sportief is zal dat– als haar gewicht zo hoog blijft – binnen een jaar of tien kunnen leiden tot allerlei klachten die net als in mijn geval haar werkgever een hoop geld kan gaan kosten. Er zal niet altijd een vervanger voor haar hoeven te worden gezocht, maar zullen wel klanten zijn die niet geholpen kunnen worden en omdat zij door haar rug is gegaan of omdat ze naar de fysiotherapeut moet vanwege een overbelaste knie. Daarmee loopt haar baas inkomsten mis.

Ik snap best dat je daar op je 17e helemaal niet mee bezig bent. Maar de gewoonte van mensen om in de media bedrijven, en nu ook scholen, zwart te maken omdat hen iets niet aanstaat is belachelijk, zeker als je daar als moeder aan meewerkt omdat je dochter zich beledigd voelt. Mensen moeten hun kinderen niet leren dat werken een soort hobby is waar je je vanaf je twintigste tot je zevenenzestigste lekker mee bezig kan gaan houden. Als je gaat werken heb je met je werkgever een afspraak: Jij werkt, hij of zij betaalt daarvoor. En hij of zij mag voor dat geld verwachtingen hebben en eisen dat je iets levert dat de moeite van het betalen waard is. En ja: Als een kapsalon moet kiezen tussen een slanke sollicitant en iemand waarvan je als werkgever vermoed dat je  er  een groter risico mee loopt dat er  geregeld beroepsgerelateerde lichamelijke klachten zullen ontstaan waardoor de sollicitant in de toekomst een kostenpost wordt in plaats van een volwaardig lid van het team,  dan is de keuze snel gemaakt. Het blijft natuurlijk een gok, een slanke werknemer kan ook ziek worden of chronisch rugpijn krijgen. Maar de kans is kleiner en  als ondernemer wil je nu waar voor je geld. En geef hem of haar eens ongelijk: Een werknemer kost een hoop centen.  En je komt er, als het een kat in de zak blijkt, niet gemakkelijk vanaf.

Ik snap zo’n meisje van zeventien best. Maar haar moeder zal zich echt achter haar oren moeten krabben. De kans dat haar dochter een baan vindt is kleiner als ze zo zwaar blijft, want er zullen altijd slankere sollicitanten zijn. Laat ze haar energie steken in de vraag hoe haar dochter kan afvallen en bij wie ze daar goede onderbouwde adviezen over kan krijgen. Daar heeft ze veel meer aan.

‘Nederland in Klare Lijn’ – Eric J. Colen

index

Vanmiddag vond ik tot mijn grote vreugde het kleurboek ‘Nederland in Klare Lijn’ van Eric J. Colen in mijn brievenbus. Al jaren wilde ik iets anders tekenen dan mensen en beestjes, maar landschappen, gebouwen en tafereeltjes ter land, ter zee of in de lucht kon ik niet op papier krijgen. Je moet even begrijpen hoe je moet denken, volgens mij, maar jeetje… als iedere poging die je doet tot frustratie leidt wordt je daar niet gelukkig van.

Een paar jaar gelden schreven de heren Kousbroek, van Amerongen en Hoogland een wedstrijd uit waarbij je naar hartenlust een aantal illustraties van Kousbroek mocht inkleuren. Dat deed ik, zette er in overleg de namen van Nanne en Annelies bij en riep vervolgens zo opzichtig mogelijk van het Facebook-dak dat de we boel zaten op te lichten. Ik moest immers aan mijn reputatie denken en door het leven gaan als leugenaar leek me niks. Niemand van ons won omdat we waren gediskwalificeerd, maar voor mij was destijds meteen duidelijk: Dit is iets waar ik wat mee kan: Kleurplaten gebruiken als basis voor het tekenen van andere dingen dan mensjes en beestjes.

Maar ja: Waar vindt je kleurplaten die ook echt de moeite waard zijn om te gebruiken. Velen waren gericht op kinderen, de kleurplaten voor volwassen hadden vooral het doel om mensen gedachteloos piepkleine Ieniemienie-vakjes in te laten kleuren. Ik kon er niets mee. Een maand geleden trok ik een kleurplaat van het stadhuis van Rotterdam uit mijn printer en daar bleek totaal niets van te kloppen. Want is voor mij namelijk een must: Dat het klopt. Ik moet het object op het internet kunnen opzoeken en bekijken wat de details zijn, wat de kleuren zijn, hoe diep, dik, ruw of glanzend iets is.

Ik was in maart, april, dan ook dol gelukkig toen ik op Twitter het bericht las dat Nederland in Klare Lijn in de maak was en binnenkort in alle winkels in Nederland te koop zou zijn. Door allerlei perikelen de vast ontstaan zijn door de coronaregels duurde het tot vandaag eer het boek in handen kreeg.

Ik ben dolgelukkig. Ik heb het boek volledig uit elkaar gesloopt en heb nu een stapel van bijna zeventig kleurplaten die werkelijk heel Nederland in klare lijn laten zien.
Omdat het er zo veel zijn was het moeilijk kiezen en ik vroeg René om uit de stapel één kleurplaat te kiezen, zodat ik meteen van de keuzestress af was: Hij koos voor de kleurplaat die ingekleurd te zien is op de voorkant van het boek.

Ik heb een lijst gemaakt van alle kleurplaten. Af en toe zal er een tekening af zijn (ja, ik kleur niks in. Ik scan een kleurplaat, druk hem in twee delen op twee A4-tjes af en trek hem vervolgens over op A3-tekenpapier. Het moet wel leuk blijven, het is hier geen kleuterschool). Hieronder staat de complete lijst. En jullie zullen me af en toe moeten helpen een nieuwe te kiezen.Want ik de héle rits afwerken!

afstreeplijst

Met vier oren kun je beter horen.

b085e0dec5df48889c1e40dc0001bec9Het is een beetje raar, als je man naar de hartspecialist moet en jij mag niet mee, want corona… De hartspecialist, zo vertelde René, is dat hysterische gedoe meer dan zat, maar die kan er verder ook niks aan doen.

Daar zit je dan, achter je pc, je af te vragen wat die cardioloog allemaal voor informatie uit de onlangs gemaakte hart-echo van jouw vent heeft weten te destilleren. Ik probeer het gevoel te onderdrukken dat ik krijg als ik er aan denk dat René een boodschap zou kunnen krijgen die je als arts liever niet aan je patiënt verteld. En dat hij daarna in zijn eentje de spreekkamer verlaat, overladen door de emoties van de heftigheid van het bericht.

Ik heb het meegemaakt toen we op de EHBO de uitslagen van het bloedonderzoek kregen en hoorden dat René een hartinfarct had. Daar sta je dan, naast je man die nooit huilt en op wiens gezicht heel voorzichtig een traan in de richting van een ooghoek beweegt. Dat de EHBO-arts er meteen achteraan zei dat hij het wel zou overleven drong tot ons beiden niet door. Maar ik dank god of wie dan ook op mijn blote knieën dat we destijds samen waren.

Weken later maakte een verpleger op de hartbewaking een onvergeeflijke fout. Opgewekt liep ik op hem toe en ging voor de balie staan. “Hoe gaat het vandaag met Meneer Straatman?” was mijn vaste vraag in die tijd. René die aan allerlei monitoren hing zei altijd dat het prima ging, dus die nam ik met een korrel zout. Ik wilde het horen van mensen die er verstand van hadden, niet van iemand die zoveel van mij houdt dat hij mij alle verdriet van de wereld wil besparen. Geschrokken keek de verpleegkundige mij aan. “O… hebben ze u niet gebeld?” zei hij toen hij me aankeek. “Meneer Straatman is er niet meer…”

Ik kreeg ter plekke het gevoel alsof ik zeven verdiepingen naar beneden viel. Dat is letterlijk wat je voelt als je zo’n bericht krijgt: De grond zakt weg onder je voeten, je hebt het idee dat de vaste grond die je onder altijd onder je voeten had plotseling gewoon niet meer bestaat en ook niet meer zal terugkomen. En je wilt het liefst zelf dood, niet meer verder, want na dit kan het nooit meer goed komen.

Het kwam gelukkig goed, het bleek een misverstand. Een pijnlijke misverstand, dat wel, maar gelukkig een misverstand. René leefde nog en had een uur daarvoor nog volop praatjes gehad. Hij was alleen van de hartbewaking overgeplaatst daar een ‘gewone’ hartafdeling, omdat het beter met hem ging.

De opluchting was even groot als de schok, maar van de schok heb ik meer last gehad dan van de opluchting. Ik maakte  René ’s nachts regelmatig wakker omdat ik dacht dat hij niet meer ademde en dat heeft zeker twee jaar geduurd. En volgens René doe ik het nu, jaren later, af en toe nóg. De schok is in mijn systeem gaan zitten.

Nu is er dan corona en nu mag niemand met je mee als je naar je specialist gaat voor een uitslag. Als je doodgaat, of als je een lange, pijnlijke toekomst tegemoet zal gaan dan ben je alleen met je specialist. Iemand die er voor heeft geleerd, maar nooit zal weten hoe het voelt om zo’n bericht te krijgen tot het hem of haar zelf overkomt. En dan moet je naar huis. Naar degenen waar je van houdt. Waar jij moet vertellen dat je dood gaat, of ziek bent, of gehandicapt zult raken.

Ik vraag me af of Rutte en de Jonge met hun Jaap dit wel beseffen. Hoe onmenselijk hun ideeën eigenlijk zijn en hoeveel mensen daar inmiddels al voor altijd door zijn beschadigd. Een paar minuten geleden belde René, alles is goed.  Het soort goed zoals een specialist dat ervaart, maar het klinkt in elk geval goed. Ik ben er blij mee, maar ik moet toch aan al die mensen denken die elkaar niet hebben mogen steunen terwijl dat wél nodig was. Ik denk dat ik vanavond en nog wat avonden wakker zal liggen en me afvraag:

Jaap, Hugo en Mark, zouden die ook wakker zijn?

Kibbeling in Coronatijd

“Ik ga kibbeling halen”, zeg ik tegen René, terwijl ik mijn jas aan sta te trekken. Ik zie René instemmend knikken, maar ik geloof niet dat hij echt luisterde naar wat ik zei.

Onderweg naar het winkelcentrum zet ik mijn plannen nog even allemaal op een rijtje: Het gemakkelijkst is om 20 euro te pinnen, daarvan moet ik 6,50 apart houden voor de glazenwasser en bij de visboer zal ik acht en halve euro kwijt zijn. Daar kan ik niet pinnen en dus niet wisselen. Wat ik aan kleingeld over heb geef ik altijd aan René. Ik heb al jaren geen cash geld omdat ik altijd pin en deze manier van handelen bevalt me uitstekend.

Het is lekker weer en ik wandel tevreden naar de pinautomaat.
Daar aangekomen staar ik verward naar het zwarte scherm. Ik til mijn bril omhoog, in de veronderstelling dat ik mijn zonnebril op heb: Er veranderd niets. Ik had mijn zonnebril niet op, het beeld was gewoon zwart. Akelig zwart. Ik kan niet pinnen. Het ding is uitgeschakeld.
“Pfff…! Heb ik dat? Even nadenken…. naar de Albert Heijn dan maar. Daar staat ook een pinautomaat.”

Aangekomen bij de Albert Heijn zie ik dat er een rij mensen staat te wachten tot hen een gedesinfecteerde winkelwagen wordt toegewezen. De rij mensen, die middels zwart met geel gestreepte tape op de vloer onderling precies honderdvijftig centimeter van elkaar gescheiden zijn, reikt tot ver voorbij het damesmodewinkeltje en ik rol met mijn ogen. Hier heb ik helemaal geen zin. Ik loop langs de andere zijde van de rode met wit gestreepte tape dat langs de rij gespannen is de wachtende mensen voorbij in de richting van een meisje dat de karretjes met een desinfecterend middeltje in een spuitfles staat te besproeien. “Kan ik hier pinnen?” vraag ik. “Hij doet het niet,” zegt het meisje, zichtbaar geërgerd omdat ze die vraag vandaag waarschijnlijk al zo’n dertig keer heeft gehoord.

Ik loop terug in de richting waar ik vandaan kwam en prijs mezelf gelukkig dat ik niet met de fiets ben. Dit is ook geen feest, maar zo’n fiets zou in deze situatie heel vervelend zijn. Nu hoefde ik dat ding niet steeds te verplaatsen en in elk geval niet naar sleuteltjes te zoeken, de ketting niet los te maken en van dat soort dingen meer. Terwijl ik de rij wachtenden wederom voorbij loop denk ik na: Ik moet geld hebben. Iets kopen, twintig euro extra pinnen en dan weer zien dat ik die 20 euro op de ene of andere manier ‘klein’ maak. Voor de glazenwasser zes euro vijftig, voor de visboer is een tientje ook goed. Wat is het slimst? Naar het Kruidvat dan maar.

Voor alle zekerheid vraag ik bij het Kruidvat aan de winkeljuffrouw die de mandjes van vertrekkende klanten desinfecteert of ik extra kan pinnen. “Deze mevrouw wil weten of ze extra kan pinnen,” gilt de winkeljuf van de mandjes naar een winkeljuf achter een kassa terwijl ze met haar spuitfles naar mij wijst. “Ja dat kan,” zegt de kassajuffrouw tegen de mandjesjuf.
“Ja, u kunt extra pinnen, geen probleem,” zegt het mandjesmens, alsof ik dat niet al begrepen zou hebben. “ Neemt u wel een mandje mee?”

Ik loop met mijn mandje door de winkel en ik heb eigenlijk niks nodig. Dat is heel vervelend, want met zo’n mandje in je hand door een winkel lopen waar je niks te zoeken hebt voelt ontzettend zinloos. “O ja!” denk ik, bijna blij dat ik toch nog iets nuttigs kan doen in dat Kruidvat: “Die paaseitjes die gisteren in dat rek voor de kassa lagen…!”

Terwijl ik vanaf half januari halsreikend heb uitgekeken naar het moment dat er nergens, maar dan ook nergens in het hele winkelcentrum ook maar één paasei te vinden zou zijn omdat ik niet van die dingen kan afblijven voelde het idee dat ik nu paaseitjes kon kopen als het mooiste wat me ooit kon overkomen. Enthousiast begon ik me richting de kassa te begeven, want daar had ik, ruim een week na Pasen, nog een paar zakken van 1000 gram gezien. Vlak voor het pad met de honderdduizend verschillende soorten bodylotion gris ik nog een fles bodylotion mee, want ik was er nu toch. Een pad verderop wil ik aansluiten bij de rij voor de kassa, maar dat gaat niet: De rij slingert zich middels dezelfde tape als bij de AH de winkel door, tot ergens helemaal achterin. Geduldig schuifel ik mee met de rest van klanten en bekijk ondertussen de inhoud van de rekken. “Jeetje mina zeg” denk ik. “Wat hebben we eigenlijk een hoop zóói om ons heen…”

De paaseitjes blijken – god zij geprezen – inmiddels echt te zijn uitverkocht en voor de vorm gooi ik één van de laatste chocolade-paashaasjes in mijn mandje. Het heeft even geduurd, maar uiteindelijk ben ik dan toch bij de kassa terecht gekomen.

“Dat is dan 2,98, alstublieft”.
Ik pak mijn pinpas en zeg: “ik wil graag twintig euro extra pinnen”.
“Dat kan niet,” antwoord de meneer achter de kassa.
“Ik heb het net gevraagd en mij werd verteld dat het kon.”
“Het kan ook. Maar nu niet. Wij mogen geen papiergeld gebruiken”.
“O, oke…”

Tja, wat moet je dan? Je gaat niet moeilijk doen in coronatijd, vind ik. Het is een rottijd voor iedereen, dus hou je je mond, rekent af, bedankt voor de bon – waarvan je weet dat je die onderweg verfrommelt en in de prullenbak gooit – en zegt netjes gedag. Aan zeikerds hebben we nu niks. Buiten het filiaal van het Kruidvat kijk ik om me heen. Wat nu? ik wil geld. Ik heb het nodig, want de glazenwasser moet betaald en ik wil naar de visboer. Rechts van mij is de Hoogvliet, daar kan ik wat dingetjes kopen om de boel te wisselen. Links zijn allerlei winkels waar ik niets te zoeken heb.

“O! de Wibra!” denk ik verheugd.”Ik haal gewoon een paar sokken”.

Voordat ik de Wibra binnenloop vraag ik aan het meisje achter de kassa:“Kan ik hier extra pinnen?”
Dat kan, of ik wel even een mandje mee wil nemen. Ik heb sneakersokken nodig, dus ik koop een paar en doe bij het afrekenen nogmaals de mededeling dat ik 20 euro extra wil pinnen. Het meisje verricht haar handelingen en geeft me na het pinnen de bon. “Ik krijg nog 20 euro van je”.
Verschrikt kijkt ze me aan. O, helemaal vergeten. Ze liet me de bon zien, ze was vergeten het aan te slaan. “Maakt niet uit, ik haal gewoon nog 3 paar sokken. Dat kan nooit kwaad.”

Ik sta weer in de rij, voor mij staat iemand die ik ken van de sportschool. We blijken allebei nog steeds actief bezig, complimenteren elkaar ermee en als ze heeft afgerekend roepen we elkaar toe dat we hopen de ander snel weer terug te zien in de sportschool. Ik sta weer voor het meisje bij de kassa, die zich uitput in verontschuldigingen en hemel zij dank is het nu gelukt: Ik heb 20 euro.
Nu ik wil de 6,50 veiligstellen. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik bij thuiskomst maar 3,25 in mijn portemonnee heb omdat ik niet heb staan opletten, dus ik wil gewoon die zes euro en vijftig cent in het ritsvakje in mijn portemonnee stoppen. Zodat k die niet kan verwarren met iets anders.

Ik ga naar de Hoogvliet, waar ik wederom een frisgepoetste winkelwagen in ontvangst neem omdat ik anders niet naar binnen mag en besluit dat het een mooie dag is voor nicecream. Ik koop wat diepvriesfruit en slagroom en eindelijk is het dan gelukt: In mijn portemonnee heb ik een briefje van vijf, een euromunt en een muntje van vijftig cent. En tien euro voor het meisje van de vis. Ik leun op mijn gemak op mijn karretje en ik prop het geld voor de glazenwasser in vakje van mijn keuze en trek de rits zorgvuldig dicht. Bij het verlaten van de winkel geef ik goedgemutst mijn karretje aan een jongen met een doek en een spuitfles en wens hem een fijne avond.

Ik kan wel juichen. Het heeft even geduurd en het was niet gemakkelijk, maar het is allemaal gelukt! Wat een gedoe…! Het was vóór corona allemaal een stuk gemakkelijker, maar goed, ik heb mijn doel bereikt en ik kan bijna naar huis.Goed geluimd stap ik het winkelcentrum uit, richting de mobiele viskar.

Die is dicht.

kibbeling

Dwarsdenker des Vaderlands

85154243_3050493201635746_3218427176252604416_o

In mijn hoedanigheid van eenvoudige lezeres heb ik de afgelopen jaren met open mond via de media het gekrakeel in schrijvers- en uitgeversland zitten bekijken. De één verwijt de lezer racisme omdat ‘zwarte’ schrijvers minder vaak worden gelezen, terwijl één van die ‘zwarte’ schrijvers het boek dat de ‘witte’ medemens moest bewegen  tot het lezen van  boeken van ‘schrijvers van kleur’ tot de grond toe  fileerde,  omdat het boek een armzalig hoopje slecht geschreven slachtofferpropaganda bleek te zijn. Ondertussen brak elders de hel uit omdat twee heren waren uitgekozen om hun kunstjes te vertonen aan de hand van het thema ‘De moeder, de vrouw’, wat resulteerde in een hysterische handtekeningenactie van het schrijvers- en uitgeversvolk, omdat ook vrouwen over moeders en vrouwen kunnen schrijven en deze groep en hun Helper Mannies (die anders altijd worden afgemaakt vanwege mansplayning) zowat uit elkaar spatten van woede. Inmiddels is de jaarlijkse boekenweek van start gegaan met het jaarlijkse boekenbal  en op de social media wordt het evenement afgekamd vanwege het feit dat men beledigd is omdat hij of zij niet of juist wel is uitgenodigd,of zij er niets mee te maken wil hebben of juist wel  en iedereen van iedereen wel van iemand vindt dat hij of zij geen echte, geen goede of een foute schrijver is. Zoals ik al zei: Ik ben maar een eenvoudige lezeres en ik ben blij toe, want wat een zooitje onzalige zeikbakken zijn die schrijvers, uitgevers en recensenten zeg…

 

Gelukkig heb ik al een boek en heb ik ook  al een volgende op het oog voor als die uit is. De laatstgenoemde is het boek van een Belgische mevrouw  (Cindy Hoetner) en welke ik nu aan het lezen ben is  een soort eenakter voor twee personen, namelijk ‘Dwarsdenker des Vaderlands’ van Arthur van Amerongen.

Verrassend aan dit boek is dat het er feitelijk twee zijn die dwars op elkaar liggen en dat het geschreven is door twee dwars op elkaar staande persoonlijkheden, namelijk Arthur van Amerongen zelf en zijn pseudoniem G.H.B. Hiltermann. Ondanks dat beiden zeer reislustig van aard zijn en in columns opschrijven wat zij zoal beleven, verschillen deze twee zielen evenveel van elkaar als een appel en een aardbei.

Ofschoon Arthur van Amerongen zijn uiterste best doet om de ganse mensheid ervan te overtuigen dat hij eigenlijk een heel saai en heel gewoon leven leidt in die door 3000 zonuren per jaar geteisterde Algarve van hem,  heeft hij nog steeds de naam  een notoire drugsgerelateerde zuipschuit te zijn, die  niets anders doet dan snuiven, feesten, drinken  en onwaarheden schrijven over groepen die het slachtoffer zijn van van alles en nog wat. Dit is dan wel weer vooral de mening van mensen als Chris Klomp,  die maar niet van het idee af te brengen zijn  dat alleen iemand zoals  bijvoorbeeld Chris Klomp de absolute waarheid en kent, maar dat terzijde.

Want het is ook niet helemáál de schuld van mensen die niet tussen de regels door kunnen lezen dat men denkt dat van Amerongen zo’n  schandelijk leven leidt. Dhr. van Amerongen schept er zelf een groot genoegen in om rebels en dwars te doen en vrolijk de vooroordelen over zijn persoon in stand te houden en waar mogelijk nog eens lekker op te blazen. In het Dwarsdenkers-deel van het boek – dat bestaat uit een selectie van columns van van Amerongen die gepubliceerd zijn in de Volkskrant – zijn drank, drugs en rock ’n roll  zaken die veelvuldig voorkomen. Maar ook worden mensen op hun nummer gezet als ze dat verdienen en belachelijke dingen die zich in Nederland voordoen worden zorgvuldig tot moes getikt. Daar maak je natuurlijk geen vrienden mee, behalve dan bij mensen die er de humor van kunnen inzien. Want die kunnen van Amerongen wel opvreten.

Evengoed  bevat dit gedeelte  van het boek ook columns die laten zien dat er  in het leven van deze rebelse dwarsdenker ook liefde en verdriet bestaat, iets wat sommigen zich gek genoeg niet kunnen voorstellen en wat dan ook soms tot heel kinderachtige reacties leidt. Maar wat dat betreft is van Amerongen net een otter.  Hij dobbert rustig voort en laat alles van zijn vochtwerende vacht afglijden.

Als je het boek op zijn kop houdt en omdraait vind je op de voorplaat de beeltenis van G. H.B. Hiltermann, het keurige  pseudoniem-van-stand van Arthur van Amerongen, die iedere maand de toestand van de wereld voor de lezer in HP de Tijd overzichtelijk en begrijpelijk maakt. (Tip: Gebruik twee boekenleggers in plaats van één en leg die overdwars in het boek anders valt een van de twee er tijdens het lezen uit). Voor mensen voor wie dit boek de eerste kennismaking met G.H.B. Hiltermann vormt en die zich afvragen wie die G.H.B. eigenlijk is: In  het eerste hoofdstuk lees je precies waaruit G.H.B Hiltermann is geboren en wat voor karakter hij heeft.  In mijn optiek is het een rijke, arrogante, op sommige punten wat naïeve goedzak, die zijn stukjes iedere maand in een ander land en een ander belachelijk duur hotel schrijft en die een soort moeder/zoon verhouding heeft met zijn bejaarde huishoudster Agaath.  In tegenstelling tot Arthur van Amerongen is Hiltermann een gelegenheidsdrinker die bij bovenmatig veel gelegenheden heeft waarbij gedronken dient te worden, maar die daar niet ’s morgens om tien uur mee begint omdat hij niet in een armetierig Portugees vissersdorp woont waar het traditie is om al  om tien uur ’s morgens de hair of the dog van de volgende dag uit te lokken. Drugs zijn aan hem niet besteed. Al hoewel… sigaren bevatten nicotine en dat is ook een drug. Maar snuiven en slikken doet hij in elk geval niet, dacht ik. Maar misschien heb ik daar wel overheen gelezen.

G.H.B. Hiltermann, daar moet je even aan wennen als je aan de soepele schrijfstijl gewend bent die Arthur van Amerongen in zijn cursiefjes voor de Volkskrant bezigt. Hiltermann is een man van het oude geld en hij schrijft de dingen dan ook als zodanig op.  G.H.B. Hiltermann heeft de eigenschap om de beestjes zo kakkerig mogelijk  bij de naam te noemen, wat een heerlijke combinatie van dure woorden en humor tot gevolg heeft.

Als ik G.H.B. Hiltermann lees stel ik me daar een type voor als De Eerbiedwaardige Teddy Meldrum, gespeeld door Michael Knowless in Did you rang m’lord. Dit vooral omdat ik Jerôme Heldring, Jacques Gans, en Henri Knap niet voor me kan halen en  ik mij Willem Oltmans alleen maar kan herinneren als een boze meneer met wit haar, die ik weleens op tv zag  terwijl ik met natte haren en in pyjama op de bank zat te duimen. Ik ben, als gewone eenvoudige lezeres, enorm van G.H.B. Hiltermann gaan houden. Heerlijk boek!

 

Zaaddonors

Op mijn zeventiende woonde ik in een gezinsvervangend tehuis op de grens van Rotterdam en Schiedam . Onze groep bestond uit zes meiden tussen de vijftien en negentien jaar en op een dag kwam Cecilia bij ons wonen. Cecilia was een Kaapverdiaanse van 15 en we konden het meteen goed met elkaar vinden. Ondanks dat ze nog niet lang in Nederland woonde kon ze niet altijd goed uitleggen wat ze wilde of wat ze bedoelde, maar ze kwam een heel eind: ‘Ik heb pijn in die koet,” zei ze op een dag. Weken lang gonsde het door het huis: Alle zes de meiden hadden te pas en te onpas pijn in die koet, tot de leiding ons smeekte om alsjeblieft op te houden met die vreselijke onzin…

Nu zag ik gisteren bij TV Rijnmond (0f hoe heet dat) een clipje van Open Rotterdam voorbij komen over de Kaapverdiaanse gemeenschap aldaar en ik moest meteen aan Cecilia denken, met haar koet. Ik schreef het ergens op maar vergat het te googelen, tot ik vanmorgen las dat 1 op de 6 kinderen opgroeit in een eenoudergezin en dat de grootste groepen eenoudergezinnen zich onder andere in Rotterdam bevinden. En ik moest er meteen weer aan denken: Aan Cecilia, die pijn in haar koet had en die me een paar weken later vroeg of ik een broer had.

Ja, ik heb een broer, vertelde ik. Nou ja, een broer, een broertje. Die was vijftien, maar al wel heel láng. Dat beviel Cecilia wel. Wat voor kleur ogen hij had, wilde ze weten. En wat voor kleur haar. Ik vertelde dat mijn enorme lange broertje blond was en blauwe ogen had, dezelfde kleur als de mijne.

Cecilia was helemaal verrukt. Of ik mijn broer wilde vragen of hij met haar naar bed wilde,want ze wenste een halfbloedje. Ik geloof dat ik nog nooit zo gelachen heb, maar ze meende het ook nog. “Nou, dat denk ik niet hoor Ceciel…”
“O, waarom niet?”
“Dat doen we hier in Nederland niet”.

Toen maakte ik dus kennis met de Rotterdams-Kaapverdiaanse moederschapscultuur: Mannen zijn zaaddonoren. Ze hebben binnen de gemeenschap maar één doel en dat is vrouwen zwanger maken en daarna worden ze geacht zich niet (met de nadruk op NIET) met de moeder of het kind te bemoeien. Ik ging wel eens mee met Cecilia naar vriendinnen die in Rotterdam West een eigen huisje-boompje-babietje hadden en op hun 19e al drie koters onderhielden. “Kinderen hebben geen vaders nodig. Die zijn alleen maar onbetrouwbaar, die gaan allemaal vreemd. Als ik een kind wil ga ik met een man naar bed en daarna kan hij gaan”.

Ik heb er maar geen woorden aan vuil gemaakt dat ik het best logisch vond dat mannen vreemdgaan als iedere vrouw die een kind wil hen hun bed in trekt, want het was volkomen duidelijk: Dit was geen mening die die vrouwen over mannen hadden. Dit was gewoon hoe hun wereld in elkaar stak. De mannen konden doen en laten wat ze wilden, maar ze hadden ook echt geen bal te vertellen.

Ik heb nog nooit – ook daarna niet – zulke standvastige vrouwen gezien en ook nog nooit zulke onafhankelijke vrouwen: Ze vormden samen een hechte kliek, die heel goed georganiseerd was: Als één van de vrouwen aan het werk was gingen de kinderen naar een van de andere vrouwen. Ze hadden ook allemaal werk: Ze waren van niemand afhankelijk.

Op een dag vroeg Cecilia of ik met haar mee wilde gaan naar de huisarts bij ons aan de overkant, want ze was al een hele tijd misselijk. Ze bleek zwanger, maar niet van mijn lange kleine broertje. Dat wist ik omdat ik in een lollige bui toch aan mijn broertje had gevraagd of hij er iets voor voelde om een kindje te maken. Zijn blik was onvergetelijk en zijn woorden ook: “Ben je gek of zo?!”

“hij wil niet”, zei ik grinnikend tegen Cecilia, die dat heel erg jammer vond. Andere blonde kerels met blauwe ogen wilden ook al niet, dus op een dag had ze toch maar genoegen genomen met een Kaapverdiaan.

Ze was destijds zestien toen haar dochter werd geboren. Ze noemde haar Sandra, want ze vond dat zo’n mooie naam. Ik weet niet hoe het met haar veder is gegaan, we verloren elkaar uit het oog nadat zij vanwege haar zwangerschap op zichzelf moest gaan wonen en ik kort daarna naar Capelle aan den IJssel verhuisde. Maar dat Rotterdam een heel groot aantal eenoudergezinnen heeft vind ik dus geen verrassing. Binnenkort moet ik toch eens naar de reportage van Open Rotterdam kijken. Wie weet zie ik haar daar. Of Sandra. Of allebei. Zou leuk zijn.

1378077_662152650469825_1730697921_n