De echte liefde van een hond gaat níet door de maag!

MennoVaak wordt gedacht dat honden van iedereen kunnen houden die hen te eten en te drinken geeft en dat daar verder geen enkele nuance in te bespeuren valt. Daar is iets voor te zeggen, want de grootste liefde in mijn leven, Menno, was daar ongewild een voorbeeld van.

 

Menno was via de zus van de vrouw van mijn vader z’n op één na jongste broer (dat kan korter, maar ik vind dit leuker) bij ons terecht gekomen omdat de aanschaf van Menno een impulsieve daad was geweest. Hij heette op dat moment nog geen Menno maar de zus van de vrouw van mijn vader z’n op één na jongste broer wilde van het beestje af omdat hij nog niet zindelijk was.

Doordat ze bij ons aan de overkant woonde was ze één van  de vele  mensen was met wie mijn moeder de hele godganselijke dag op straat gesprekken aanknoopte, hoorde mijn moeder als eerste  dat de zus van de vrouw van mijn vader z’n op één na jongste broer de puppy weg wilde doen. Dat vond mijn moeder zielig, dus binnen enkele minuten was de hond van de zus van de vrouw van mijn vader zijn op één na jongste broer niet meer van háár, maar van ons.

 

Ik kan me het moment dat mijn vader die avond thuiskwam van zijn werk nog goed herinneren: Terwijl ik zielsgelukkig was – ik was vier en was dol op alles met vier pootjes en alles met van dat lekkere aaihaar – was mijn vader er absoluut niet blij mee. Maar hij is net als ik: Als je iemand in je leven toelaat, of dat nu een mens of een dier is, dan ben je daar óók verantwoordelijk voor. Dus die zei tegen mijn moeder: “Nu moet je  niet na drie weken zaniken dat de lol er nu wel vanaf is. Je hebt hem in huis genomen, dus die blijft en je gaat er ook voor zorgen”.

 

Ik denk nog regelmatig terug aan Menno, die die dag voor de tweede keer in zijn korte leventje slachtoffer was geworden van het feit dat iedereen maar impulsief een hond kan nemen. Door de jaren heen heb ik vaak gezien hoe mijn moeder Menno schopte en sloeg als hij ziek was en ergens in huis had gekotst. En hoe ze hem de hele dag in de brandende zon vastlegde in de tuin zonder op te letten of hij genoeg water had.  Als mijn broertje een plant om had gegooid omdat hij met zijn vriendjes in de woonkamer liep te voetballen dan kreeg Menno de schuld omdat die natuurlijk met zijn neus in de aarde zat.  Hij vluchtte dan voor de klappen richting zijn mand onder de keukentafel, waar hij ineenkrimp en met dichtgeknepen ogen piepend de ene klap na de andere verwerken kreeg.  Ik hoor dat piepen en ik zie die angstige hoop hond nog wel eens in mijn gedachte en ben dan een halve dag bezig om de tranen te bedwingen, gewoon omdat met de herinnering ook het machteloze gevoel van weleer pijnlijk voelbaar is, als was het de dag van gisteren.

Als mijn vader thuiskwam werd opeens alles anders. Dan deed mijn moeder net of ze net zoveel van Menno hield als wij. Gek genoeg heb ik ook gezien hoe Menno kwispelend naar de deur rende als mijn moeder thuiskwam van de kerk, waar ze obsessief meedeed in allerlei clubjes en raden. Ik kon haar manier waarop ze met Menno omging niet rijmen met dat geloof, maar niets is zo onbegrijpelijk als de obsessief gelovige mens. Menno kon het allemaal geen bal schelen: Als mijn moeder thuiskwam begroete hij haar uitvoerig en leek hij oprecht blij te zijn haar te zien. De liefde van de hond gaat wellicht wel door de maag, want elke avond voordat wij  gingen eten zette mijn moeder een bak voer voor Menno neer. En kennelijk ben je dan dus toch zijn vriend, ook al heb je nog zo’n hekel aan hem.

 

Toch weet ik zeker dat er een heel groot verschil is tussen ‘bijt nooit de hand die je voedt’ en ware hondenliefde. En gelukkig kende Menno, naast de bizarre haat-liefdeverhouding met mijn moeder, ook iemand waar hij onvoorwaardelijk van hield. En dan bedoel ik dat letterlijk: Die hond híeld echt van iemand. En die persoon was mijn opa.

 

Opa was, net als mijn vader en ik, iemand die zei wat hij dacht en die daardoor niet bepaald veel vrienden maakte. Mijn moeder en mijn opa hadden dan ook oprecht een hekel aan elkaar, niet in het minst omdat Opa op de hoogte was van de eisen die mijn vader omtrent Menno aan mijn moeder had gesteld.  En terwijl mijn moeder Menno heimelijk als de grootste minkukel ooit beschouwde was het tussen opa en Menno vanaf dag 1 liefde op het eerste gezicht.

Tot groot ongenoegen van mijn moeder liepen mijn vader en mijn opa graag bij elkaar de deur plat en Menno genoot met volle tuigen van iedere keer dat Opa aanbelde. Er ontstond een diepe vriendschap tussen mijn opa en Menno. Een vriendschap die nog tien keer dieper werd toen mijn vader voldoende ging verdienen om zijn gezin ieder jaar in de zomer op fietsvakantie door Nederland te sleuren. Menno ging in die twee weken dat wij een door mijn vader uitgestippelde route langs allerlei suffe musea en boerenkaasmarkten afwerkten met Opa naar zijn volkstuin, naar tante Marie, naar de markt, naar ons lege huis om de plantjes water te geven, naar Ome Wim en tante Riek..  overal waar Opa heen ging nam hij Menno mee. Die hond had een wereldleven bij mijn opa en oma.

 

Aan alles komt een eind: Na twee weken werden wij allen herenigd. Ik was altijd ontzettend blij Menno weer te zien, die op zijn beurt uitzinnig van vreugde tegen mijn mijn moeder opsprong terwijl die er niet eens moeite voor deed om te doen alsof het wederzijds was. Ik hoor het mijn vader nóg zeggen: “Je hebt die hond zélf in huis gehaald”.

 

Sinds die eerste keer dat Menno bij opa en oma logeerde heb ik ieder jaar, tot Menno op mijn zeventiende overleed, heel duidelijk het verschil kunnen zien tussen een hond die blij is om de terugkeer van de hand die hem voedt en een hond die dolgelukkig is als aangebeld wordt door wie hij op de wereld het meest liefheeft. Mijn moeder moest eerst binnenkomen voordat Menno kwispelstaartend naar haar toe ging. Maar mijn opa hoefde alleen maar zijn fiets tegen het keukenraam te zetten.

Dan vlogen Menno z’n slappe oren de lucht in doordat hij pardoes rechtop ging zitten. Hij spitste die oren, luisterde nog eens goed en er verscheen een twinkeling in zijn ogen. Vanuit de tuin, de woonkamer of waar hij op dat moment ook maar was stoof hij naar de gang, botste in volle vaart over de gladde vloer tegen de deur naar de hal en ging vervolgens rondjes rennen tussen degene die de deur open ging doen en de haldeur. Je hoefde slechts de klink naar beneden te duwen, want Menno perste zich direct door het ontstane kiertje de hal in, waardoor de deur met een klap tegen de muur smakte. “Hou die deur nou eens vast, het hoeft niet kapot!” gilde mijn moeder dan.

 

En als je dan de voordeur opendeed was je getuige van het oprechte geluk dat een hond voelt als hij zijn aller, – aller, – állerbeste vriend van de hele wereld terugziet. Ik denk er nog vaak aan. Het is  een geweldige herinnering die ik graag in een lijstje had willen doen.

 

PS: Opa heeft Menno nooit eten gegeven. Dat deed Oma.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s